| Digitaliseren | ||
| CCD of MOS ? Scanners Bayer patroon Foveon sensor Afmetingen van de sensor Welke camera kiezen? Een andere mening Samenvatting |
||
|
Een document digitaliseren doet men door dit te scannen
of digitaal te fotograferen. In beide gevallen zet men het licht, dat
door dit document weerkaatst wordt, om in een getalwaarde. De gebruikte
techniek is in beide gevallen hetzelfde: |
|
Een digitaal fototoestel bestaat uit een lens, die het
licht verzamelt, concentreert en op een sensor laat vallen. Een sensor
bestaat uit een matrix van fotocellen. Zulke sensor kan gemaakt worden
in twee technieken: CCD of CMOS.
CMOS is de
techniek die universeel gebruikt wordt om processoren, geheugens en
dergelijke te maken. Ook hierbij valt het binnenkomende licht op een
fotodiode, en slaat het electronen los die opgevangen worden. Na de
belichting wordt de opgevangen lading in de sensorcel zelf dadelijk
omgezet in een spanning, en het is deze spanning die door de centrale
electronica uitgelezen wordt. In sommige gevallen wordt zelfs de
analoog/digitaal-omzetting (het omzetten van deze spanning in een getal)
binnen de sensorcel gedaan.
Welke techniek is de beste? Klassiek is altijd CCD gebruikt geweest. CMOS heeft de laatste jaren echter zoveel ontwikkeling gekend, dat momenteel voor alle fototoestellen (behalve de echte top-categorie) gebruik gemaakt wordt van CMOS-sensoren. Momenteel liggen CCD en CMOS zowat nek aan nek: de beste CMOS is beter dan gemiddelde CCD, maar de beste CDD is nog altijd een stuk beter dan CMOS. Maar er komen nog heel andere criteria om de hoek kijken. |
|
Bij scanners legt men het in te scannen document op een
beeldplaat. Bij het scannen wordt dit document belicht door een in de
scanner ingebouwde lichtbron, en wordt bij iedere stap van de
stappenmotor een beeldlijn ingescand. Het voordeel van een scanner is
dus al dadelijk een ingebouwde en constante lichtbron, die de juiste en
voldoende belichting geeft voor het scanwerk. In scanners worden twee
verschillende technieken gebruikt: CIS en CCD.
Hieronder een foto van het scanelement van een
CCD-scanner (links) en een CIS-scanner (rechts). Het verschil in
constructie is duidelijk merkbaar.
Hieronder een voorbeeld: hetzelfde deel van hetzelfde
blad, gescand door de twee genoemde scanners. Dit is de linkerbovenhoek
van een blad (een deel van een bevolkingsregister), dat te breed en te
hoog is voor de scanner. Het blad ligt met zijn marge boven en links dan
ook op het plastic dat de scanplaat omhult, en dat enkele millimeter
boven de scanplaat uitsteekt. De linker bovenhoek van het voorbeeld ligt
dus niet op de scanplaat, maar ca 2 millimeter erboven. De rechter
onderhoek ligt reeds volledig op de scanplaat.
Gaan we bv een A4-document inscannen aan 300 dpi, dan beweegt het scanelement zich in stappen van 0,085 mm (= 25,4 mm / 300) over de hoogte van het document, en gaat het bij iedere stap een beeldlijn inscannen over de volledige breedte van het document. We krijgen een beeld van 3500 * 2480 pixels (= 297 mm / 25,4 mm * 300 bij 210 mm / 25,4 mm * 300). Hebben we de scanner ingesteld op 24 bit kleurdiepte, dan wordt iedere pixel voorgesteld door 3 bytes (8 bit rood, 8 bit groen en 8 bit blauw). In totaal is ons beeld 3500 * 2480 * 3 = 26.040.000 bytes groot, dus we krijgen een beeld van 24,83 megabyte (een megabyte is 1024 * 1024 bytes). |
|
Een scanner heeft heel andere karakteristieken dan een digitaal fototoestel. Bij een scanner hebben we te maken met een stabiel beeld (een onbeweeglijk document) dat we op ons gemak lijn per lijn kunnen aftasten. Dit is bij een foto natuurlijk niet het geval. Hier dienen we echt een momentopname te maken in een zeer korte tijd, omdat we ervan dienen uit te gaan dat het gefotografeerde object in beweging is.
Daar deze opstelling niet betaalbaar is, gebruikt iedereen een Bayer-opstelling.
Het opgenomen beeld (de RAW-mode) dient dus nog heel wat rekenwerk te ondergaan voor we een toonbaar beeld krijgen (dat we dan als bmp, tiff of jpeg opslaan).
|
|
Alle beeldsensoren gebruiken de Bayer-opstelling
(waarbij dus 1/3e gemeten en 2/3e geschat is). Er is één uitzondering:
de Foveon-sensor, die voorlopig alleen in Sigma-fototoestellen gebruikt
mag worden (alhoewel de exclusiviteit tussen Foveon en Sigma nu verlopen
is, en de sensor nu ook mogelijk door andere fabrikanten gebruikt kan
worden).
|
|
Kleinbeeld-film (35 mm film) heeft een afmeting van 36 *
24 mm. Een digitaal fototoestel heeft een sensor die meestal heel wat
kleiner is. Digitale SLR's (spiegelreflex camera's) hebben soms een
zogenaamde full-frame sensor, die dezelfde afmeting heeft als 35 mm film
(dus 36 * 24 mm), maar meestal zijn de sensoren van het APS-formaat
(APS-H is 29 * 19 mm, APS-C is 22 * 15 mm). Deze sensoren hebben dus een
oppervlakte van 864, 551 of 330 vierkante millimeter. Deze sensoren zijn
reusachtig groot, vergeleken met de sensoren die in de prosumer- en
consumer-toestellen gebruikt worden. Een typisch consumertoestel heeft
een 1/1.8" sensor (5.52 * 4.14 mm, of nog geen 23 vierkante
millimeter).
De afmetingen van de sensor hebben ook invloed op de brandpuntsafstand. Toestellen met kleinere sensoren gebruiken lenzen met kortere brandpuntsafstand om dezelfde beeldhoek te verkrijgen. Een 28-105 mm zoom op de Canon heeft hetzelfde effect als een 10-37 mm zoom op de Nikon met zijn kleinere sensor. Het verkleinen van de sensor heeft dezelfde invloed als een telelens op het toestel te zetten. Voor de toepassing die wij voor ogen hebben (het digitaal fotograferen van akten) kunnen we deze tele-invloed missen als kiespijn. Voor het digitaal fotograferen van akten hebben we dus een toestel nodig met een grote sensor. Spijtig genoeg wil dit ook zeggen: een duur apparaat. |
|
Wat we nodig hebben om documenten te fotograferen, is
een digitale spiegelreflex met een grote sensor (full-frame of APS-C),
de nodige megapixels, een goede lens, en een video-uitgang om het beeld
lopend op een computerscherm te kunnen bekijken. Let echter op: hoe
groter de sensor, hoe kleiner de scherptediepte. De afstand van de
sensor tot het midden van een te fotograferen blad is kleiner dan deze
van de sensor tot aan een hoekpunt van dat blad. Is de te fotograferen
akte te groot (bv een dubbelblad van een bevolkingsregister), dan kan
bij een full-frame sensor de scherptediepte te klein zijn om het hele
document scherp te krijgen.
|
|
In tegenstelling tot het voorgaande, hieronder een interessante tekst
(vertaald uit het engels), die afkomstig is van een discussieforum van
Atiz. Deze firma verkoopt boekscanners, en bij Atiz wordt de Bookdrive
DIY normaal uitgerust met een SLR (spiegelreflex) uit de Canon EOS-serie
(zoals de 40D, 5D of 1D), terwijl de goedkopere Booksnap uitgerust wordt
met goedkopere compact camera's uit de Canon Powershot-reeks (bv de G9). |
|
Ik zou graag enkele misvattingen over de voordelen van dure full
frame digitale spiegelreflexcamera's willen opmerken. |
|
Als werkgroep hebben we deze mening goed in onze oren
geknoopt. We beschikken nu zelf over een Canon EOS 500D (een apparaat
met een 15 megapixel CMOS APS-C sensor) met daarbij een Sigma AF 17-70
f2.8-4.5 lens. Hiermee hebben we een apparaat met een vrij hoge
resolutie (15 megapixel) en een voldoende scherptediepte (een APS-C
sensor in plaats van een full frame sensor). Als lens hadden we liefst
de Canon EF-S 17-55 mm f2.8 IS USM gehad, maar deze lens is zeer duur
(meer dan 800 euro), terwijl de Sigma-lens bijna dezelfde prestaties
levert (en maar 285 euro kost). Het toestel heeft Live View, zodat het
fotograferen en alle instellingen vanaf een laptop kunnen gebeuren, en
we dus met een vaste opstelling kunnen werken. |
|
Akten kunnen we scannen of fotograferen. Scannen
heeft de volgende eigenschappen: Fotograferen
heeft feitelijk als enig voordeel dat men het boek zo kan plaatsen dat
men het hele blad ineens kan fotograferen, wat dus veel sneller is dan
scannen. Denk niet dat ge bij fotograferen dezelfde kwaliteit kunt halen
als bij scannen. Laat ons even rekenen, en ervan uitgaan dat we een A4
willen hebben op 300 dpi. Een A4 is 297 * 210 mm, wat overeenkomt met
297 / 25,4 * 300 = 3508 bij 210 / 25,4 * 300 = 2480 beeldpunten. En 3508
* 2480 = 8,7 miljoen beeldpunten. Van ieder beeldpunt hebben we een
meting nodig van de drie hoofdkleuren, wat dus overeenkomt met 26,1
miljoen metingen. Een fototoestel met Bayer-patroon heeft (in
tegenstelling met een scanner of een Foveon-sensor) geen pixels, maar
kleurmetingen. Om dus toch nog een beetje kwaliteit te kunnen halen heeft men minimaal een 10 megapixel apparaat nodig met een grote sensor (bv een Canon Eos 400D met een APS-C sensor en een EF-28 mm objectief kost ca 800 euro). In feite kunnen we met een dergelijke sensor op een A4 een "echte" kwaliteit halen van 150 dpi, alhoewel het toestel iets van een 250 dpi zal aangeven. De kwaliteit staat of valt met de belichting. Nodig zijn één of twee daglichtlampen van 90 euro per stuk, met een brandduur van 250 uur. Men moet echt fotograaf zijn en weten hoe men moet fotograferen (een "auto"-stand zal geen goed resultaat opleveren). Men moet een vaste opstelling maken met het te fotograferen blad zo horizontaal mogelijk (wat wil zeggen dat de linkerzijde van het boek een hoek van bijna 90° moet maken met het grondvlak) en hierboven het fototoestel bevestigd aan een opstelling die men in de drie assen kan fijnregelen (X, Y en Z). Denk eraan dat een boek makkelijk 5 cm dik is, dus 5 cm hoogteverschil tussen het eerste en het laatste blad. Daar de hoogte/breedte-verhouding van een boek ongeveer 1,4 is, dient men om zo weinig mogelijk van zijn dure megapixels te verspillen ook een fototoestel te kiezen met een zelfde verhouding. En dan dient men het display van het fotoapparaat te ijken (wat zie ik op mijn LCD-schermpje, en wat komt uiteindelijk op de foto terecht?), of beter nog een fototoestel te nemen waarbij men het beeld continu kan laten zien op het scherm van zijn computer. Het fotograferen gaat heel wat sneller dan het inscannen (als men een vaste opstelling heeft, waarbij men na éénmaal instellen ineens een heel register kan fotograferen). De nabewerking (de foto bijsnijden, naamgeven en dergelijke) kost echter ook tijd. Feitelijk wisselt men kwaliteit in voor snelheid. Wat ge ook doet: let op de compressie. Uiteindelijk zal je het beeld opslaan als jpeg, omdat het anders teveel opslagruimte in beslag zal nemen (denk eraan dat je tienduizenden beelden zal hebben, en dat deze ook nog over internet verstuurd moeten kunnen worden). Kies je jpeg-compressie nooit hoger dan 16 ("hoge kwaliteit" in photoshop), en zet ze als het kan op 8. Het heeft geen enkele zin een hoge kwaliteit te halen bij scannen of fotograferen, en deze dan weg te gooien door een te hoge jpeg-compressie te kiezen. |