|
Het Human Genome project
Het menselijk DNA ligt opgeslagen in de celkern, maar
verdeeld over 23 paar chromosomen. Samen vormen deze het volledige
instructieboek, dat aangeeft hoe de mens gebouwd moet worden en hoe hij
moet functioneren. De volledige DNA-structuur noemen we het
"genoom". Het hele genoom bestaat uit 2,85 miljard baseparen
(DNA-letters) en is ongeveer 750 megabyte groot.
Iedere mens heeft in principe hetzelfde genoom (dat de huidige
menselijke soort beschrijft) maar met kleine onderlinge verschillen (de
haarkleur bijvoorbeeld). In 1990 is dan ook een project gestart, het
Human Genome Project (HGP) om het menselijk genoom gedetailleerd in
kaart te brengen. Dit project, dat opgestart werd met steun van de
Amerikaanse regering, maar waaraan de hele internationale gemeenschap
ging deelnemen (in totaal werkten 2800 onderzoekers mee), is op 14 april
2003 afgerond, met de mededeling dat 99 % van het menselijk genoom in
kaart gebracht was met een nauwkeurigheid van 99,99%. Er blijven nog 341
stukken DNA over waarvoor men nieuwe technologie nodig heeft om deze in
kaart te kunnen brengen.
Ook heeft men getracht binnen dit genoom de genen te
identificeren. Oorspronkelijk dacht men dat het genoom uit 100.000 genen
zou bestaan, maar het HGP heeft dit teruggebracht tot 22.287 (18.599
zeker en 2188 hoogstwaarschijnlijk). Gevolg is dat slechts 1,5% van het
hele genoom bestaat uit genen, die de code bevatten om eiwitten aan te
maken. Daar zo'n gen uit introns en exons bestaat, is het in staat om
met dezelfde code soms duizenden verschillende eiwitten aan te maken.
Dus de mogelijkheden van zo'n gen zijn veel groter dan men
oorspronkelijk gedacht heeft.
Naast de genen die voor eiwitten coderen, kennen we nog een paar duizend
genen die de code bevatten om RNA aan te maken. Dicht bij deze
eiwit-coderende genen vinden we nog wat regelzones (zones op het DNA
waar eiwitten zich binden om het kopieerproces van genen te starten).
Alles bij elkaar wil dit zeggen dat 97% van het menselijk genoom bestaat
uit junk-DNA (rommel-DNA), waarvan men de functie niet kent. Ondanks de
naam "rommel" weet men ondertussen dat een gedeelte hiervan
toch in RNA gekopieerd wordt, en dus een bepaalde (onbekende) functie
vervult. We kunnen dus best maar nederig zijn, en toegeven dat onze
kennis nog maar heel beperkt is, en we nog niet veel weten.
Naast het HGP zijn er nog verschillende andere projecten, om het genoom
van andere organismen in kaart te brengen. De fruitvlieg en de spoelworm
bijvoorbeeld zijn druk bestudeerde organismen, terwijl de blaasvis in
essentie dezelfde genen en regelzones bevat als het menselijk genoom
(maar slechts 1/8e heeft van het menselijke junk-DNA).
Het HapMap
project
In oktober 2002 werd het HapMap-project opgestart, dat een kaart
(Map) zou opstellen van de menselijke haplotypes (Hap). Enige uitleg is
dus wel op zijn plaats.
Een SNP (Single Nucleotide Polymorphism) is een plaats in het genoom
waar een base vervangen is door een andere base. De ene mens heeft op
deze plaats bjvoorbeeld "..TAGC..", terwijl een andere mens
"..TGGC.." heeft. Zo'n wisseling van een base wordt een
"allele" genoemd. Het menselijk genoom heeft naar schatting
zo'n 10 miljoen SNP's (plaatsen waar minstens 1% van de mensen een
andere base hebben). Zulke mutaties zijn nog steeds uitzonderlijke
gebeurtenissen (10 miljoen SNP's op 3 miljard basen is 0,3 %, en dit
gedurende de hele evolutie), en iedere mutatie is slechts éénmaal
opgetreden in de menselijke geschiedenis.
Bij de voortplanting worden van ieder chromosoom grote stukken van dit
chromosoom van de vader en de moeder gemengd om het chromosoom van het
nieuwe organisme te vormen. SNP's die vrij dicht bij elkaar staan hebben
dus de neiging overgeërfd te worden van generatie op generatie. Een
haplotype is een groep van de bevolking, waarbij alle SNP's op een deel
van een chromosoom dezelfde basen hebben.
De meeste chromosoom-stukken hebben slechts een paar haplotypen, die
verantwoordelijk zijn voor de verschillen van persoon tot persoon in de
bevolking. Op zo'n chromosoom-stuk kunnen veel SNP's opgetreden zijn,
maar het is meestal mogelijk door slechts een paar SNP's te bekijken het
haplotype te identificeren. Deze SNP's noemt men dan "tags" of
"merkers". Kan men zo'n chromosoomstuk karakteristeren door
zo'n merker, dan hoeft men slechts een paar SNP's te bekijken om het
haplotype vast te stellen.
Het HagMap-project heeft zich tot doel gesteld deze merkers op te
zoeken, en ook de stukken chromosoom te identificeren waarbij de
variatie zodanig is dat geen merkers gevonden kunnen worden. Men hoopt
zo'n 200.000 tot 1 miljoen merkers te kunnen vinden, die dan dezelfde
informatie geven als alle 10 miljoen SNP's.
Een onderzoeker die een gen tracht op te sporen dat invloed uitoefent op
een ziekte, zal trachten het genetisch materiaal van een groep zieke
personen te vergelijken met dat van een groep gezonde personen. Indien
gebieden op een chromosoom gevonden worden, waarbij er een verschil is
in de mate waarin haplotypes voorkomen bij de zieke en de gezonde groep,
dan is er veel kans dat dit gebied een gen bevat dat invloed uitoefent
op de ziekte. Als echter genotypes bepaald moeten worden door 10 miljoen
SNP's te gaan onderzoeken, zijn deze studies veel te kostbaar. Indien de
genotypen bepaald kunnen worden door alleen de merkers te onderzoeken,
zijn deze studies wel haalbaar.
Het HagMap project loopt nog steeds (momenteel reeds HapMap 3), en alle
bevindingen en hulpmiddelen zijn vrij raadpleegbaar op het internet.
Het CNV
project
|
Bij het HapMap-project is ook gebleken dat grote stukken DNA
(tussen 10.000 en 5 miljoen letters) bij sommige mensen meerdere
malen gecopieerd zijn, bij andere mensen minder dikwijs of zelfs
helemaal niet voorkomen. Uit de data van het HapMap-project
werden 1447 dergelijke zones gevonden. Men heeft gevonden dat
deze soort mutatie genetische ziekten kan veroorzaken, maar ook
dat het kan beschermen tegen HIV infectie en malaria. In 2006 is
er een internationaal project opgestart, het Copy Number
Variation of CNV-project. Dit onderzoek probeert in kaart te
brengen waar in het genoom dit kopieren of verliezen van grote
stukken DNA opgetreden is, en hoe de de situatie is bij
verschillende groepen van de wereldbevolking. Hierbij worden
nieuwe technieken onderzocht waarbij in één experiment het
hele genoom gescand kan worden op CNV.
De hiernaast staande foto geeft een overzicht van deze CNV
van een bepaalde testpersoon op verschillende chromosomen. In
geel zijn de zones aangegeven waar het aantal kopies hetzelfde
is als de norm. Rood geven de delen aan waar deze testpersoon
minder kopies heeft, groen waar hij meer kopies heeft dan de
normpersoon.
|
|
Het 1000
genomes project
Ook als gevolg van de resultaten van het HapMap-project is in januari
2008 het 1000-genomes project gestart: een project dat het menselijk
genoom in kaart zal brengen van minstens 1000 individuen, gekozen uit
verschillende rassen over de hele wereld. Hiermee wil men een catalogus
maken van de variatie in het menselijk genoom. Alhoewel dit voor meer
dan 99% identiek is tussen twee willekeurige mensen, is juist dit
verschil zeer interessant omdat juist dit kleine percentage kan
verklaren waarom individuele verschillen bestaan in gevoeligheid voor
ziekten, het verschillend reageren op geneesmiddelen of de verschillende
reacties op het milieu. Uit vorig onderzoek is gebleken dat er meer dan
100 gebieden gevonden zijn in het menselijk genoom, die een rol spelen
in de gevoeligheid voor ziekten en afwijkingen.
De techniek om het menselijk genoom te bepalen is ondertussen (juli
2009) zover voortgeschreden dat het volledige genoom van een willekeurig
individu automatisch geanalyseerd en beschreven kan worden door één
machine (zo groot als een koelkast) in vier weken tijd met een
foutpercentage van 1%. Deze machine doet dus automatisch in één maand
waar de hele wetenschappelijke wereld 15 jaar voor nodig gehad heeft,
maar wel met een foutpercentage dat 100 maal hoger ligt dan deze van het
Human Genome Project (0,01%). We zijn nog niet zover dat iedereen voor
een bescheiden bedrag zijn eigen genoom kan laten bepalen, maar de
automatisering schrijdt op dit gebied wel met rasse schreden verder.
Het genoom van
de chimpansee
Einde 2003 is ook de beschrijving van het genoom van de chimpansee
klaargekomen. Het DNA dat rechtstreeks vergeleken kan worden met dat van
de mens is voor 99% identiek. De verschillen tussen mens en chimpansee
zijn ongeveer 10 maal zo groot als de verschillen tussen twee
willekeurige mensen. Meer dan 50 genen in het menselijk genoom komen
niet voor bij chimpansees, maar ook een aantal chimpansee-genen komen
bij mensen niet voor (het precieze aantal is nog niet bekend). Eén van
deze genen, die bij mensen niet voorkomt, is een gen dat codeert voor
een enzym dat helpt beschermen tegen Alzheimer.
Dat mensen en chimpansees genen hebben die 99% hetzelfde zijn, was reeds
bekend in 1975. Toen reeds werd geopperd dat de verschillen tussen beide
ook niet gezocht moesten worden in de genen, maar vooral in het proces
dat de aanmaak van eiwitten regelt. Een studie van White en Gilad in
2006 bestudeerde genen van chimpansees, orang oetangs, makakken en
mensen, en vond dat er een trage evolutie was in de 65 miljoen jaar dat
deze drie soorten mensapen evolueerden, maar dat er een snelle evolutie
optrad in de 5 miljoen jaar dat de mensen bestonden, niet in de genen
maar in de transciptie factoren. Dit zijn de eiwitten die zich aan het
DNA hechten voordat er een transcript gemaakt wordt, en het makkelijker
of moeilijker maken voor het enzym polymerase om zich rond het DNA te
wikkelen en een transcript te maken van het gen, waaruit dan later het
eiwit aangemaakt wordt. Ze onderzochten hierbij 1056 genen van alle vier
de soorten. Circa 60% hiervan had een zelfde expressieniveau (mate
waarin ze aangemaakt worden) voor alle vier de soorten. Dit betrof
steeds genen die codeerden voor eiwitten die een rol spelen in de
basis-processen in de cel. Als ze echter keken naar de genen met een
verschillend expressieniveau, dan vonden ze dat 42% van de genen die bij
mensen een hoger expressieniveau hadden (meer aangemaakt werden)
transcriptie factoren waren, en dat geen enkele menselijke transcriptie
factor minder aktief was. Door de transcriptie factoren te wijzigen, kan
dus met een paar mutaties invloed uitgeoefend worden welke genen meer en
minder aangemaakt worden. De reden waarom deze transcriptie factoren
gewijzigd zijn is onbekend. Men vermoed dat dit te maken heeft met het
afwijkend menselijk dieet. Door de ontdekking van het vuur is de mens
een voorkeur gaan ontwikkelen voor gekookt eten (geen enkel dier kookt
zijn eten). Denkelijk is er iets in het kookproces dat de biochemische
voorwaarden verandert voor maximale toegang tot de voedingsstoffen en in
de verwerking van de natuurlijke gifstoffen die in planten en dieren
voorkomen.
Een van de genen die verantwoordelijk is voor de grootte van de
hersens schijnt het ASPM-gen te zijn. Dit gen blijkt bij de meeste
dieren nauwelijks gewijzigd te zijn, maar er zijn hogere
wijzigingspercentages gevonden bij de afstammingslijnen van de mensapen,
en de hoogste wijzigingspercentages in de afstammingslijnen van
chimpansees naar de mensen.
Een ander gen dat meespeelt is het gen MYH16. Alle mensen missen een
aantal baseparen die wel voorkomen in het MYH16-gen bij primaten. De
lange versie van het gen is verantwoordelijk voor de grote kaakspieren
bij de primaten, maar deze grote kaakspieren eisen ook dat de chimpansee
extra been heeft bovenop de schedel, om deze zware kaakspieren aan vast
te hechten. Mensen hebben smallere kaken, en missen ook het bijkomend
been bovenop de schedel. Hierdoor kan onze schedel groter worden. De
mutatie trad 2,4 miljoen jaar geleden op, juist vooraleer onze vroege
menselijke voorouders smallere kaken en een grotere schedel begonnen aan
te nemen (homo erectus).
Een grotere schedel en een groter brein halen op zichzelf natuurlijk
niets uit. Professor Preuss identificeerde 169 genen die een
verschillend resultaat geven bij chimpansees en mensen. Hij vond dat 90%
van deze genen actiever waren in menselijke hersens, wat sterk
contrasteert met de genen die verantwoordelijk zijn voor het hart en de
lever, waar de verschillen in activiteit gelijk verdeeld zijn tussen
mensen en chimpansees. In onze hersens zijn sommige van onze genen
verschillend van deze van de chimpansee, maar diegene die identiek zijn
werken harder.
Melk drinken
Het enzym lactase wordt vanaf de geboorte aangemaakt, maar bij het
opgroeien verdwijnt de aanmaak van dit enzym. Volwassenen konden dus
vroeger geen melk drinken. Eind februari 2007 werd een rapport
gepubliceerd, waar uit het onderzoek van het genoom van neolitische
skeletten, die dateren van 5840 tot 5000 v Chr, blijkt dat volwassenen
toen het enzym lactase nog niet konden aanmaken. Momenteel hebben 90%
van de Noord-Europeanen een gewijzigde versie van het gen, die hen
toelaat heel hun leven melk te drinken. Het is ook aanwezig bij een
gedeelte van de Afrikanen en de inwoners van het Midden Oosten, maar de
meerderheid van de wereldbevolking heeft dit gewijzigde gen (nog) niet.
Lactase kan momenteel industrieel aangemaakt worden, zodat mensen met een
lactose-intolerantie ook melk kunnen drinken.
Melk drinken geeft een duidelijk evolutionair voordeel, niet alleen
wegens de hoge voedingswaarde ervan, maar ook omdat het (in
tegenstelling met stromend water) niet besmet is met bacteriën. Daar
het kweken van melkvee ongeveer 9000 jaar geleden begon in Noord Europa,
weten we dat dit gen pas evolueerde nadat melk beschikbaar was. Het is
dus een bewijs dat natuurlijke selectie snel kan werken, want deze
evolutie heeft zich voltrokken over een tijdperk van maximaal 6000 jaar
(en voltrekt zich dus nog steeds).
|