|
De
Voorgeschiedenis
De eerste boeken over biologie werden ca 2400 jaar geleden
geschreven door Hippocrates en Aristoteles. In deze boeken werd de wijsheid
vastgelegd die door boeren en fokkers tijdens de voorafgaande duizenden jaren
verkregen werd: "het is mogelijk om nieuwe variëteiten van planten of dieren te
ontwikkelen, maar het is niet mogelijk om nieuwe soorten te ontwikkelen". Dit
ondersteunde het idee dat er ergens in het verre verleden iets moest
plaatsgevonden hebben als het scheppingsproces dat in de Bijbel beschreven
wordt. In de 17e en 18e eeuw leidde de ontdekking van de microscoop en de
grote ontdekkingsreizen tot twee conclusies: er werden veel meer, en veel
gevarieerder soorten levende wezens ontdekt, en iedere soort was perfect
aangepast aan zijn omgeving. Dit bracht echter geen conflict met het geloof,
maar bracht nog meer eerbied voor de Schepper en zijn werk. Men ontdekte ook dat
de aarde zelf een turbulente geschiedenis achter de rug had. Rotsen, die eens de
bodem van een zee hadden gevormd, werden nu teruggevonden op bergtoppen. Men
ontdekte dat landstreken, die nu een gematigd klimaat genieten, ooit bedekt
waren door ijskappen. Streken die nu vruchtbaar zijn, waren ooit bedekt door
lava uit vulkanen. In 1809 stelde Lamarck echter een probleem vast. Als de
aarde inderdaad deze grote veranderingen had ondergaan, dan kan het niet
tegelijk waar zijn dat soorten onveranderlijk zijn en toch steeds perfect
aangepast aan hun omgeving. Aangezien we bewijzen hebben voor de geologische
veranderingen, en we opmerken dat soorten perfect aangepast zijn aan hun
omgeving, moet de theorie dat soorten onveranderlijk zijn dus foutief zijn.
Uiteindelijk is de theorie van de onveranderlijkheid van de soorten gestoeld op
waarnemingen gedurende de laatste duizenden jaren, terwijl de geologische
tijdperken zich over honderden miljoenen jaren uitstrekken. Gedurende deze
miljoenen jaren moeten de soorten dieren en planten zich dus aangepast hebben
aan steeds andere omgevingen. Er moet dus evolutie geweest zijn.
Charles
Darwin
In 1859 verscheen het befaamde boek van Charles Darwin "On the
origin of species". In 1831, voor het begin van zijn vijfjarige wereldreis met
de HMS Beagle, was Darwin een overtuigde gelovige "van de strikte en letterlijke
waarheid van ieder woord in de Bijbel" (zoals hij zelf schreef). Aan het einde
van zijn reis zat hij echter vol twijfels, en een jaar later werd hij een
evolutionist, als gevolg van de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek
van de dieren die hij meegebracht had van zijn wereldreis. Darwin geeft aan dat
"natuurlijke selectie" het onontkoombaar gevolg is van 4 vaststellingen: -
iedere populatie kan exponentieel groeien. - de omgeving, waarin deze
populatie leeft, heeft slechts beperkte bronnen, en laat dus slechts een
beperkte groei toe. De conclusie uit deze twee vaststellingen (die van Thomas
Mathus zijn) is dat in iedere populatie slechts een beperkt aantal kan
overleven. Wie of wat bepaalt echter welke individuen overleven en welke niet?
Toeval? Het lot? De twee volgende vaststellingen komen uit het kweken van
dieren: - ieder dier is een uniek individu, wat wil zeggen dat het kenmerken
heeft waardoor het zich onderscheidt van de andere dieren in de groep. - veel
van deze kenmerken, waardoor een dier zich onderscheidt van een ander dier,
kunnen gevonden worden in zijn nakomelingen, en zijn dus overerfbaar. Het
zijn precies deze twee uitgangspunten welke fokkers hanteren bij het succesvol
kweken van dieren. Maar ze geven ook aan dat, in iedere populatie, niet ieder
dier dezelfde overlevingskansen heeft. In de natuur vindt dus een
automatische selectie plaats, omdat niet alle dieren kunnen overleven in een
omgeving met beperkte bronnen (Malthus), en omdat er verschillen bestaan tussen
de individuele dieren (de vaststelling van de fokkers). Dit leidt tot de
"survival of the fittest": alleen die soorten, die het best aangepast zijn aan
de wisselende omstandigheden van de omgeving, zullen overleven.
Een boek dat een grote indruk naliet op de jonge Darwin was het
boek "Natural Theology" van William Paley, verschenen in 1802. "Als ik op een
wandeling mijn voet tegen een steen zou stoten, en men zou me vragen hoe die
steen daar kwam, zou ik denkelijk antwoorden dat die er altijd al gelegen zou
hebben. Als ik op diezelfde wandeling echter een uurwerk op de grond zou zien
liggen, dan zou ik daarentegen niet denken dat dit uurwerk daar altijd al
gelegen zou hebben. Het uurwerk moet een maker gehad hebben; er moet ooit een
ontwerper geweest zijn, die het maakte voor de functie waarvoor het gebruikt
wordt, die de constructie ervan bedacht en die het ontwierp". Paley geeft
bijvoorbeeld ook een vergelijking tussen het oog en een telescoop, en besluit
dat het oog gemaakt was om te kunnen zien, net zoals de telescoop gemaakt is om
dit gezichtsvermogen te versterken. In feite dezelfde argumenten die de
aanhangers van het "Intelligent Design" momenteel hanteren: dergelijke
ingewikkelde organen (zoals het oog) kunnen niet spontaan ontstaan zijn: er is
een ontwerp, en een maker voor nodig. Darwin was zwaar onder de indruk van
Paley's argumenten. Om daarop te kunnen antwoorden, onderscheidde hij twee
soorten selectie. De selectie, zoals die toegepast wordt door fokkers, is een
"negatieve" selectie, in die zin dat ieder individu dat een gebrek vertoont, of
minder gezegend is met de gezochte eigenschap, verwijderd wordt. Een "positieve"
selectie daarentegen voegt nieuwe eigenschappen toe aan bestaande, door een
opeenhoping van overgeërfde toevallige wijzigingen. Negatieve selectie kan nooit
iets nieuws maken, terwijl positieve selectie dit wel kan. Een orgaan, dat zo
complex is als het oog, kan alleen door evolutie ontstaan door een proces van
positieve selectie. Maar heeft zo'n proces dan plaatsgevonden in de natuur?
Darwin komt tot de vaststelling dat dit inderdaad het geval is, omdat in de
natuur verschillende soorten "ogen" te vinden zijn. Het simpelste soort oog dat
in de natuur gevonden wordt, bestaat uit een optische zenuw, omringd met
pigmentcellen en overdekt met een doorzichtige huid. Maar het kan zelfs nog
simpeler: gewoon samengestelde pigmentcellen, zonder verbinding met de optische
zenuw. Een dergelijk soort "oog" levert geen "zicht" op, maar geeft de bezitter
wel de mogelijkheid om onderscheid te maken tussen licht en duisternis. In de
natuur worden dus diverse gradaties van "ogen" gevonden, van heel simpel tot
heel ingewikkeld, afhankelijk van de functies die dit "oog" moet kunnen
vervullen. Darwin besluit dus dat beide mogelijkheden bestaan: een sterk
geperfectioneerd orgaan (zoals het oog) kan "snel" gemaakt worden vanaf een
ontwerp (zoals Paley beweert), maar kan eveneens "traag" ontstaan door een
proces van natuurlijke selectie, indien zeeën van tijd beschikbaar
zijn. Beide theorieën leveren dus ogenschijnlijk hetzelfde resultaat op, en
zouden dus beide de werkelijkheid kunnen weergeven. Maar is er een mogelijkheid
om uit te maken welke theorie nu de juiste is? Het antwoord wordt gegeven door
de onvolmaaktheden in deze schijnbaar perfecte organen. In het geval van het oog
zal geen enkele ontwerper eraan denken de lichtgevoelige elementen binnenste
buiten te zetten. Nochtans is dit het geval in de meest ontwikkelde ogen: de
lichtreceptoren staan naar binnen toe gericht, weg van het invallende licht, en
vangen slechts de weerkaatsing van dit invallende licht op. Ontelbaar andere
voorbeelden tonen aan dat de structuur van alle organen het eindresultaat is van
verschillende opeenvolgende verbeteringen, die steeds verder bouwen op het
resultaat van een vorige realisatie. Dit is hoe de natuurlijke selectie werkt:
indien de omstandigheden het nodig maken, zoekt de natuur een bruikbare
oplossing (niet de beste). Eisen de omstandigheden een nog verdere evolutie, dan
wordt verder gebouwd op wat reeds ontwikkeld is. De gebruikte methode is dus
niet het "intelligente ontwerp", maar eerder "trial and error".
De publicatie van "The Origin of Species" was van in het begin een doorslaand
succes, en de theorie van evolutie door natuurlijke selectie werd dadelijk
erkend als een grote triomf van het menselijk denken. Nochtans is Darwin niet de
vader van het idee van evolutie (dat van Lamarck kwam), noch van het idee van de
natuurlijke selectie (dat van Wells en Matthew kwam). Wat Darwin wel deed, was
de conclusies van beide ideeën doortrekken, en deze waren zo radicaal dat
niemand onverschillig kon blijven. Darwin voegde ook eigen originele ideeën toe,
en het meest revolutionaire hiervan was dat van de "common descent", de theorie
dat alle levende wezens (planten en dieren) een gemeenschappelijke afstamming
hebben. Dit idee is geen automatisch gevolg van de evolutiegedachte: zelfs
Lamarck dacht dat het leven ontstaan was uit menigvuldige onafhankelijke
afstammingslijnen. In Darwins tijd was er weinig bewijs om deze "common
descent"-theorie te ondersteunen. Momenteel is de situatie omgekeerd, daar de
moleculaire biologie een massa feiten ter ondersteuning heeft bijgedragen. Twee
van de belangrijkste zijn het feit dat alle cellen dezelfde code gebruiken om
erfelijke informatie over te dragen, en het feit dat dezelfde moleculaire drager
(ATP) in alle cellen gebruikt wordt om energie uit te wisselen.
Moderne
Genetica
In Darwins tijd was erfelijkheid een mysterie. Alles wat er toen over geweten
was is hierboven opgesomd: ieder individu van een populatie heeft unieke
karakteristieken, en een groot deel van deze karakteristieken zijn overerfbaar.
Maar het mechanisme hoe dit tot stand kwam, was onbekend. De moderne genetica
begon in 1900 met de herontdekking van de wetten van Mendel, en het aantonen dat
erfelijke karakteristieken zich gedroegen als instructies die overgedragen
werden door materiële objecten (die door Wilhelm Johanssen in 1909 "genen"
genoemd werden). Om de resultaten te verklaren die hij bekwam bij de kruising
van groenten, stelde Gregor Mendel in 1865 dat bij de voortplanting iedere
erfelijke eigenschap (ieder "gen") bepaald wordt door twee factoren ("allelen"
genaamd), en dat deze eigenschappen eerst gesplist en dan willekeurig terug
gerecombineerd worden, zowel in mannelijke als vrouwelijke geslachtscellen. Ook
stelde Mendel dat de twee allelen van iedere erfelijke eigenschap verschillend
kunnen zijn (A en a), en dat het eindresultaat van de combinatie maar twee
mogelijkheden kan hebben: ofwel dominant (AA, Aa en aA) ofwel recessief (aa). In
1902 toonden Walter Sutton en Theodoor Boveri aan dat deze "erfelijke
eigenschappen" (de genen) van Mendel fysiek bestonden in de chromosomen, en de
studie van de deling van geslachtscellen toonde aan dat Mendels hypothese
absoluut juist was, zelf in die mate dat men niet meer moest spreken van een
hypothese, maar van werkelijkheid die aangetoond was met experimenten. De Wetten
van Mendel ondersteunen de uitgangspunten van Darwin, want ieder individu is
inderdaad uniek, wegens de willekeurige recombinatie van de genen. Kan deze
recombinatie van genen alleen voldoende zijn om evolutie te verklaren, aangezien
dominante allelen de neiging hebben om de recessieve te vervangen? Hardy en
Weinberg toonden in 1908 aan dat dit niet het geval is. Indien de populatie zeer
groot is, en indien geen verstorende factoren of omstandigheden bestaan, zal
recombinatie niet de relatieve frequentie van de allelen veranderen. Met andere
woorden: genetische evolutie vindt slecht plaats indien de populatie klein is
(bijvoorbeeld een afgescheiden groep), of indien verstorende krachten optreden.
Deze "verstorende krachten" waren reeds aangegeven door Darwin (mutaties en
natuurlijke selectie), maar het Hardy-Weinberg theorema gaf dus ook aan dat
evolutie kan optreden in een derde soort situatie, namelijk bij een kleine,
afgescheiden populatie. Sewall Wright heeft deze derde mogelijkheid verder
bestudeerd. In een grote populatie verstoort de som van alle toevallige
afwijkingen het genetisch centrum niet, aangezien afwijkingen zullen optreden
met dezelfde frequentie in iedere richting, en elkaar dus zullen compenseren. In
een kleine populatie is deze statistische gladstrijking echter niet
gegarandeerd, en zal het centrum van alle genetische eigenschappen bij iedere
volgende generatie een onvoorspelbare afwijking kunnen geven. Het centrum van de
genetische eigenschappen van een dergelijke kleine populatie zal dus na
verschillende generaties lijken op het zigzagpad van een dronkaard, vandaar de
naam "genetic drift" (genetische drift). Het punt hierbij natuurlijk is dat een
opeenvolging van willekeurige afwijkingen meestal niet naar zijn beginpunt
terugkeert, en dat er dus na verloop van tijd een permanente genetische
afwijking opgetreden is. Met andere woorden: een echte evolutie, in een volledig
toevallige richting. Er zijn dus drie factoren die meespelen in de evolutie:
mutaties, natuurlijke selectie en genetic drift. Een mutatie is een wijziging in
een gen (bijvoorbeeld de vervanging van een nucleotide-letter door een andere).
Mutaties zijn de enige gebeurtenissen die erfelijke karakteristieken kunnen
wijzigen, en moeten dus altijd aanwezig zijn in een evolutionair proces. Er
blijven dus twee verschillende wijzen waarop evolutie kan optreden: het
mechanisme van Darwin (mutaties gepaard met natuurlijke selectie) en het
mechanisme van Wright (mutaties gepaard met genetische drift). Evolutie is
steeds een proces in twee trappen: eerst dient een mutatie op te treden bij een
individu, daarna dient deze mutatie zich al of niet te verspreiden in een
bevolking. In deze tweede stap zullen veel mutaties verloren gaan, en slechts
enkelen zullen het halen en een vast onderdeel van het genetisch areaal van deze
bevolking worden.
Moleculaire
Evolutie
Mutaties, wat feitelijk “fouten” zijn bij de reproductie of beschadigingen
van het genoom, treden volkomen willekeurig op. Ze kunnen positief of negatief
zijn (in dit geval spelen ze een rol bij de natuurlijke selectie), maar ze
kunnen ook neutraal zijn (in de zin dat ze geen voordeel of nadeel opleveren
voor het organisme waarin deze mutatie optreedt, en dus geen rol spelen in de
natuurlijke selectie). Tot in de jaren 1960 werd gedacht dat dergelijke
“neutrale” mutaties slechts een kleine minderheid van alle mutaties waren (als
ze al zouden bestaan), en dat evolutie feitelijk het gevolg was van de
natuurlijke selectie (genetic drift speelde bijna niet mee). Amfibiën en
zoogdieren zijn ontwikkeld uit dezelfde voorouder. De evolutie is bij zoogdieren
echter veel sneller verlopen dan bij amfibiën. Amfibiën hebben zoveel
eigenschappen gemeenschappelijk, dat er slechts één klasse amfibiën is, terwijl
zoogdieren ingedeeld worden in 16 verschillende klassen. De mutatiegraad bij
zoogdieren moet dus veel hoger gelegen hebben dan bij amfibiën. Toen het in de
jaren 1960 echter mogelijk werd directe metingen te doen van de moleculaire
parameters, bleek de mutatiegraad bij zoogdieren juist even hoog te liggen als
deze bij amfibiën. Het bleek ook dat de meeste mutaties neutraal waren, en veel
meer voorkwamen dan positieve of negatieve mutaties. Er is dus een groot
verschil tussen de evolutie op het moleculair niveau, en de evolutie van de
soorten organismen. Slechts een zeer kleine minderheid van de optredende
mutaties is positief, en leidt tot de ontwikkeling van nieuwe soorten. In de
miljoenenjarige geschiedenis van de evolutie heeft zich dus een enorme
hoeveelheid mutaties in het genoom opgestapeld, en de overgrote meerderheid van
deze mutaties is neutraal. We hebben nu geleerd ons voordeel te doen met deze
neutrale mutaties. Een mutatie (die dan ook nog overgeërfd moet worden) is nog
steeds een uitzonderlijke gebeurtenis die slechts om de zoveel generaties
optreedt. Het bestuderen van deze neutrale mutaties in het mitochondrion en in
het Y-chromosoom geeft ons een instrument dat toelaat afstamming te bepalen, en
de verspreiding van de mensheid over onze aardbol. Het laat ons ook toe de
evolutie van de verschillende soorten organismen in detail te
bestuderen. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de situatie met deze
"neutrale" mutaties in feite wel iets complexer is dan eerst gedacht. Deze
"neutrale" mutaties zijn dan wel niet schadelijk of geven geen onmiddellijk
voordeel, maar ze beïnvloeden de evolutie wel op langere termijn. Ze doen dit op
twee manieren. De eerste manier is dat, wanneer verschillende wijzigingen nodig
zijn vooraleer een eiwit een nieuwe functie kan vervullen, deze "neutrale"
wijzigingen zich kunnen opstapelen, en ze zodoende de drempel verlagen voor de
definitieve wijziging. De tweede manier is dat de "neutrale" mutatie blijft
wachten tot de omstandigheden wijzigen, waarna ze in werking treedt. Dit blijkt
bijvoorbeeld het geval geweest te zijn bij het optreden van het
AIDS-virus. Een aantal experimenten heeft aangetoond dat veel van deze
"neutrale" mutaties alleen maar neutraal schijnen, maar in feite
schadelijke mutaties zijn die in toom gehouden worden. De werking van een eiwit
hangt af van de driedimensionele structuur die het aanneemt. Veel mutaties
beïnvloeden niet de volgorde van de aminozuren op de peptidenketting, maar wel
de ruimtelijke structuur die deze peptidenketting als eiwit zal aannemen (zie de
pagina "van DNA naar eiwit"). Nu heeft iedere cel een mechanisme dat optreedt
tegen foutief gevormde eiwitten (de chaparonne-eiwitten: deze dwingen de foutief
gevormde eiwitten terug in de juiste structuur). Er is nu aangetoond dat veel
organismen mutaties herbergen, die feitelijk schadelijke mutaties zijn omdat ze
foutief gevormde eiwitten voortbrengen, maar waarbij deze mutaties in feite
geneutraliseerd worden door de hoeveelheid chaparonne-eiwiten die de cel
aanmaakt, welke deze foutieve mutaties terug in de juiste vorm dwingen. De
mutatie wordt hierdoor "geneutraliseerd". Verlaag echter de hoeveelheid
chaparonne-eiwitten in de cel, en deze misvormde eiwitten worden niet meer
gecorrigeerd. De cel heeft hierdoor een mechanisme om een hoeveelheid
(momenteel schadelijke) mutaties op te stapelen, maar deze onschadelijk te
houden door de hoeveelheid en de soort chaparonne-eiwitten die ze aanmaakt. De
chaparonne-eiwitten gedragen zich dus als een buffer, omdat ze schadelijke
mutaties omvormen tot neutrale mutaties, en de cel hierbij de mogelijkheid geven
een grote genetische diversiteit op te slaan voor de tijd dat deze mutaties ooit
nodig zouden zijn als aanpassing aan gewijzigde omstandigheden.
|