|
Structuur van een
cel
Het menselijk lichaam is opgebouwd uit cellen, die sterk in vorm
kunnen verschillen (afhankelijk van hun functie), maar allemaal dezelfde
structuur hebben: - een celwand: een dunne maar stevige buitenwand die de cel
vorm geeft, de inhoud van de cel beschermt, en bepaalt wat binnenkomt en
buitengaat. - het cytoplasma: de inhoud van de cel bestaat uit water, zouten
en verschillende macromoleculen. Maar het bevat ook een aantal gespecialiseerde
eenheden (organellen) die gespecialiseerde taken uitvoeren. - de celkern: die
het genetisch materiaal bevat (DNA). Dit genetisch materiaal is ook het
instructieboek om eiwitten aan te maken.
Twee zaken in de cel zijn van groot belang voor de "moleculaire
genealoog": het DNA (vooral chromosoom 23) en de mitochondriën.
 |
We zien hier een beeld van een cel. We zien de celkern (nucleus) met daarin
het DNA (de encyclopedie met instructies van hoe zaken gemaakt moeten worden),
dat in chromosomen gerangschikt is. Buiten de celkern zien we het
industrieterrein, met daarin de ribosomen (de eiwit-fabrieken) en de
mitochondriën (de energie-centrales). De overige zaken vallen buiten het bereik
van deze tekst. Het menselijk lichaam bevat ca 100.000 miljard cellen,
waarvan de meeste minder dan een tiende millimeter groot zijn.
|
Het genetisch materiaal: DNA
In de celkern vinden we het DNA (Deoxyribonucleic acid). Dit is
het erfelijk materiaal, dat doorgegeven wordt van generatie op generatie. Het
gezamelijk DNA-materiaal is opgesplitst in chromosomen, waarbij het aantal
chromosomen afhankelijk is van het soort organisme. Een fruitvlieg heeft er 8,
een hond 78, een karper 104. De mens heeft er in totaal 46: 22 paar (één van de
vader en één van de moeder), genummerd van 1 tot 22, plus het sex-chromosoom X
en Y (vrouwen hebben X-X, mannen hebben X-Y). Samen vormen zij het menselijk
genoom (het instructieboek dat bepaalt hoe de mens gemaakt moet worden, en hoe
hij moet functioneren). Ieder chromosoom is in feite een lange ladder
(uiteengerafeld is deze ladder één tot anderhalve meter lang, en 2 miljardste
van een meter breed). Normaal bevindt het DNA zich in de celkern als lange
dunne, dooreenlopende draden die met een lichtmicroscoop bijna niet te zien zijn
(de chromatin-vorm). Slechts als de cel zich klaarmaakt om te delen trekken deze
DNA-strengen zich samen tot chromosomen, en worden ze dik genoeg om als
afzonderlijke structuren zichtbaar te zijn met een normale microscoop. Rechts
onder zien we het vrouwelijke karyotype (een karyotype is de verzameling van de
chromosomen zoals ze gefotografeerd worden onder de microscoop als ze zich
klaarmaken om te delen). Dat dit het vrouwelijk karyotype is zien we aan
chromosoom 23 (het geslachts-chromosoom), dat uit twee X-chromosomen bestaat.
Bij het mannelijk karyotype bestaat chromosoom 23 uit een X- en een
Y-chromosoom.
 |
 |
Dat het DNA het erfelijk materiaal bevat, is slechts ontdekt in
1952. In 1953 stelden Crick en Watson het basismodel op van het DNA (waarvoor ze
in 1962 de Nobelprijs ontvingen). Het DNA ziet eruit als een lange, gedraaide
ladder, die opgebouwd is uit nucleotiden. Een nucleotide bestaat uit drie delen:
een fosfaat en een suikermolecule (P en S in onderstaande tekening), die de
opstaande stijlen van de ladder vormen, en een stikstofbase (die via een
waterstofbrug met de stikstofbase van de tegenoverliggende nucleotide de sporten
van de ladder vormt). Er zijn slechts twee verschillende sporten mogelijk: -
C en G (de basen Cytosine en Guanine), verbonden door drie
waterstofbruggen. - A en T (de basen Adenine en Thymine), verbonden door twee
waterstofbruggen. De waterstofbruggen vormen slechts zwakke verbindingen,
zodat de hele DNA-streng zoals een ritssluiting makkelijk in twee stukken
uiteengetrokken kan worden. Dit is ook het principe van de celdeling: trek de
ritssluiting uiteen, en maak er twee ritssluitingen van. Dit kopieerproces is
mogelijk omdat alleen A-T en C-G verbindingen mogelijk zijn.
 |
 |
Het hele menselijke genoom bestaat uit ongeveer 3 miljard
baseparen (laddersporten), verdeeld over de chromosomen. Om deze ongelofelijk
lange DNA-ladder in een kleine chromosoom te verpakken is een ingewikkelde
verpakkingsstructuur nodig, die in onderstaande figuur getoond wordt (een nm is
een nanometer, het miljardste deel van een meter). Om een vergelijking te maken:
de nieuwste Intel-processoren worden gemaakt met baandikten van 45
nanometer.
 |
Alleen als de cel gedeeld moet worden trekt het DNA zich samen tot de
tweemaal 23 chromosomen. Deze chromosomen zijn compacte structuren, die dan ook
door de microscoop zichtbaar zijn. Tijdens de normale werking van de cel (dus
buiten de celdeling) ligt het DNA uitgespreid in de kern als lange draden (de
"beads on a string"-vorm in de bovenstaande tekening). Daar dit uiterst dunne
draadjes zijn, en de eerste celonderzoekers natuurlijk niet over
electronenmiscroscopen beschikten, waren deze draden eenvoudigweg niet
zichtbaar. Slechts als ze kleurstoffen aan de celkern toevoegden, zagen ze heel
vaag iets gekleurds in de cel zitten. Daarom ook dat ze het DNA in uitgespreide
vorm "chromatin" noemden ("het gekleurde spul"). Wat het was wat ze zagen,
wisten ze niet (want DNA en dergelijke was toen nog onbekend), maar deze
algemene benaming is blijven hangen. |
 |
Mitosis: het splitsen van
cellen
 |
Als de cel klaar is om zich te delen, dan trekt het enzym helicase de
sporten van de ladder uiteen. Deze enzym wordt gevolgd door het enzym
polymerase, die over de opengetrokken sport trekt en een nieuwe corresponderende
nucleotide aan de sporthelft koppelt, zodat er terug een volledige ladder
ontstaat. Deze nieuwe, vrije nucleotiden worden constant aangemaakt in de
celkern en zijn ten tijde van de deling voorradig. Een gemiddeld menselijk
chromosoom bestaat uit 150 miljoen sporten, die gekopieerd worden tegen 50
sporten per seconde. De deling vindt dan ook op verschillende plaatsen van de
ladder tegelijk plaats, zodat de hele deling op ongeveer een uur klaar
is. Iedere nieuw aangemaakte chromosoom bestaat dus altijd uit één
ladderhelft van de gedeelde chromosoom, en een nieuw aangemaakte ladderhelft.
|
 |
Tijdens de deling wordt ieder chromosoom gekopieerd, wat het totaal aantal
chromosomen in de cel van 46 op 92 brengt. Hierdoor krijgen de chromosomen een
X-vorm, daar de twee kopieën zich aan elkaar vasthechten in de centrale plaats
die centromeer heet.
Als de chromosomen zich verdubbeld hebben, lost de wand van de celkern zich
op. Twee centriolen plaatsen zich aan twee tegenover elkaar liggende zijden van
de cel. Microtubulen hechten zich vast aan een centriool en aan het centromeer
van een chromosoom. Als deze microtubulen zich verkorten wordt het verdubbelde
chromosoom in twee enkelvoudige chromosomen getrokken, die zich naar de
centriolen toebewegen.
De microtubulen verdwijnen en de celwand begint zich in het midden in te
snoeren. De cel deelt zich in twee nieuwe cellen, die elk hun kopie van de 46
chromosomen hebben. |
Meiosis: het splitsen van
geslachtscellen
Bij mitosis wordt een cel gedeeld in twee nieuwe, exact gelijke
cellen. Iedere cel bevat 46 chromosomen, waarvan er 23 van de vader komen, en 23
van de moeder. Bij geslachtscellen (eitjes bij de vrouw en sperma bij de mannen)
moet een andere weg gevolgd worden, want deze cellen mogen maar 23 chromosomen
hebben. Bij de bevruchting komen immers de 23 mannelijke chromosomen in de eicel
met de 23 vrouwelijke chromosomen terecht, zodat terug een complete cel met 46
chromosomen ontstaat. Hierbij wordt dus een iets ander proces gevolgd, dat
meiosis genoemd wordt. Het begin van het proces is hetzelfde als bij mitosis: de
46 chromosomen (23 van de vader en 23 van de moeder) verdubbelen zich tot 92. Na
de verdubbeling kan er echter een cross-over plaatsvinden, waarbij delen van
gelijksoortige chromosomen met elkaar uitgewisseld worden (een stuk DNA van een
vader-chromosoom wordt uitgewisseld met een stuk DNA van een moeder-chromosoom.
Hierna verloopt het proces opnieuw zoals bij de mitose: de verdubbelde
chromosomen worden uit elkaar getrokken, en de cel deelt zich in twee cellen,
elk met 46 chromosomen. Maar ditmaal stopt het proces niet: elk van de twee
cellen wordt opnieuw gedeeld, zodat er in totaal vier cellen ontstaan, elk met
23 chromosomen.
Genen
We hebben nu gezien hoe cellen zich kunnen delen, maar wat doen
cellen feitelijk als ze niet aan het delen zijn? Wat is hun eigenlijke taak? Het
antwoord is: het aanmaken van eiwitten (proteïnen). Eiwitten zijn de bouwstenen
van het leven, en maken bij mens en dier meer dan 50% van de droge stof van het
lichaam uit. Er zijn verschillende soorten eiwitten: structurele eiwitten (haar,
nagels...), samentrekkende eiwitten (de samentrekkende vezels in spieren),
transport eiwitten (die de zuurstof en de vetstoffen in bloed transporteren),
hormonen, enzymen, antilichamen... Eiwitten worden gemaakt uit aminozuren.
Het menselijk lichaam heeft 20 verschillende aminozuren, die allemaal dezelfde
basisstructuur hebben. Een aminozuur bestaat uit een centraal koolstofatoom, dat
vierwaardig is, en waaraan zich dus vier andere structuren kunnen hechten. Drie
van deze structuren zijn steeds dezelfde: een waterstofatoom, een COOH-groep, en
een NH2-groep. Wat de vierde structuur is, maakt het verschil uit tussen de 20
aminozuren. Aminozuren zijn de letters van het alfabet, en eiwitten zijn de
woorden die uit deze letters gevormd kunnen worden. Eiwitten worden dan ook
gevormd door aminozuren aan elkaar te koppelen. Dit aan elkaar koppelen van
aminozuren tot eiwitten gebeurt in de ribosomen (de "fabrieken" van de cel).
Maar wie geeft het ribosoom zijn instructies? Deze instructies zijn vervat in de
genen.
 |
Een gen is een specifieke opvolging van nucleotiden op het DNA dat de
instructie bevat hoe een eiwit gemaakt moet worden. Iedere DNA-molecule
(chromosoom) bevat dus verschillende genen. Het hele menselijk genoom bestaat
uit ongeveer 22.500 genen, waarbij een gen soms 10.000 nucleotiden (DNA-letters)
lang is. Samen bevatten deze genen de instructies om een 80.000 verschillende
eiwitten aan te maken. Voor de aanmaak van een aantal complexe eiwitten zijn
verschillende genen nodig, zoals men ook twee recepten nodig heeft om een
glazuurcake te maken (een recept voor de cake, een ander recept voor het
suikerglazuur op deze cake). |
 |
 |
Nochtans maakt de code (de DNA-letters) van al deze genen samen slechts 1,5%
van het hele genoom uit. Een gen begint met een niet-codedragend gedeelte (het
regelsegment), en tussen de codedragende delen (de exons) liggen ook
niet-codedragende delen (de introns). Maar tussen de genen liggen nog hele
stukken DNA waarvan men de functie niet kent.
De code in het gen (de exon-delen) bestaat steeds uit groepen van drie
letters (zoals ACT, CAG, TTT...). Zo'n groep van drie letters wordt een codon
genoemd, en is de instructie om één bepaald aminozuur toe te voegen. Er zijn 64
gekende codons, waarvan er drie stop-codons zijn (die het einde van een exon
aanduiden). Er zijn dus meerdere codons die voor hetzelfde aminozuur coderen.
|
De code in het gen geeft dus, in drie-letter woorden, de
instructie aan welke aminozuren achter elkaar gekoppeld moeten worden om een
eiwit aan te maken. Hoe komen nu de instructies, die in het gen vervat zitten,
bij de fabriek (het ribosoom) terecht? Hiervoor dient het RNA.
mRNA, tRNA en de
ribosomen
 |
Het gen op het DNA bevat, in drie-letter codons, de instructie om een bepaald
eiwit aan te maken. De eerste stap die dan gezet wordt, is de aanmaak van
mRNA (messenger-RNA of boodschapper-RNA). Zo'n mRNA is in feite een kopie van
het gen. De aanmaak ervan verloopt in twee fasen: eerst wordt een kopie van het
gen gemaakt (deze kopie start achter het regelsegment, maar bevat zowel de exons
als de introns). Is deze kopie klaar, dan worden in een tweede stap de introns
eruit gesplitst, en is het mRNA klaar ("mature"). Om mRNA aan te maken worden
de twee DNA-strengen uit elkaar getrokken, en wordt er een kopie van het gen
gemaakt vanuit de codedragende streng (de template strand). Deze kopie wordt
opgebouwd uit dezelfde basen (letters) als het DNA, alleen wordt de base T
(thymine) vervangen door de base U (Uracil), en bestaat het mRNA uit de
tegengestelde letters als het DNA. Waar in de DNA-code een G voorkomt, komt in
het mRNA een C voor, en omgekeerd. Voor een T in de DNA-code krijgt de mRNA een
A, en voor een A in de DNA-code krijgt het mRNA een U (de base Thymine wordt
immers vervangen door Uracil). Als de kopie gemaakt is, en in een tweede
stap de introns eruit verwijderd zijn, is het mRNA klaar. Het bestaat dan uit
een startcodon, dan de codons voor de nodige aminozuren, en eindigt met een
stopcodon. Het is dus een stuk programma dat beschrijft welke aminozuren aan
elkaar gerijgd moeten worden om het eiwit aan te
maken.
|
 |
Is het mRNA klaar, dan reist het vanuit de celkern (waar het DNA zich
bevindt) naar het cytoplasma (de vloeistof buiten de celkern), waar de ribosomen
zich bevinden. Zo'n ribosoom is vrij klein (een 24 nm in diameter). In deze
cytoplasma hecht een ribosoom zich aan het startcodon van de mRNA, en begint het
de mRNA te lezen. In het cytoplasma zweeft ook vrij tRNA rond. Zo'n tRNA
(transport-RNA) heeft aan de onderzijde een anticodon (die zich aan het codon
van het mRNA kan hechten) en draagt aan de bovenzijde het met het codon
overeenkomende aminozuur. De ribosoom, die het mRNA afleest, wacht dus tot
het juiste tRNA zich aan het mRNA vastgehaakt heeft, plukt het aminozuur van het
tRNA en voegt het toe aan de groeiende peptidenketting (de ketting van
aminozuren, die het eiwit moet gaan vormen). Het tRNA, dat zijn lading kwijt is,
verdwijnt weer van het mRNA om een nieuwe lading te gaan oppikken en zwevend
tRNA te worden tot het opnieuw mag leveren. Het ribosoom schuift een codon op
over het mRNA, en is weer klaar om het volgende aminozuur in ontvangst te nemen.
Om een idee te geven: voor het ontdekken en beschrijven van dit mechanisme
is de Nobelprijs 1993 in geneeskunde verleend. Onze kennis van dergelijke
processen is dus nog niet erg oud. |
Is uiteindelijk het hele mRNA afgelezen, dan is de peptidenketting
van aminozuren klaar. Maar deze ketting is nog lang geen eiwit. Er kan nog een
stap volgen, waarbij de peptideketting gewijzigd wordt (posttranslational
modification), en als laatste stap wordt van de peptidenketting een
driedimensionaal eiwit gemaakt (protein folding). Het bekomen van de juiste
driedimensionele structuur is essentieel voor de werking van het eiwit. Gaat dit
fout, dan functioneert het eiwit niet, of functioneert het anders dan bedoeld.
Gekende en gevaarlijke ziekten zoals Alzheimer en Creutzfeldt-Jakob (de
gekke-koeien ziekte) worden veroorzaakt door eiwitten, die wel uit de juiste
peptidenketting bestaan, maar een verkeerde driedimensionale structuur hebben.
Hoe de driedimensionale structuur ontstaat uit de peptidenketting, en welke
factoren daarin meespelen, is nog niet volledig gekend.
Over de aanmaak van eiwitten, en alles wat daarbij meespeelt, is
nog veel te zeggen. De laatste jaren ontdekt men dat een steeds belangrijker rol
gespeeld wordt door micro-RNA (kleine stukjes RNA die gevormd worden uit
niet-coderende delen van het gen). Als bijvoorbeeld een cel ontdekt dat een gen
een fout bevat, dan kan het micro-RNA aanmaken dat zich hecht aan het
startgedeelte van het mRNA dat vanuit dit defecte gen aangemaakt wordt. Hierdoor
wordt het mRNA ongeldig, want het ribosoom kan het startcodon van het mRNA niet
ontdekken, en kan er dus geen peptidenketting van aanmaken. Heel algemeen
gesteld kunnen we zeggen dat de mechanismen stilaan gekend beginnen te worden
(hoe wordt iets gemaakt), maar dat we nog weinig weten over de besturing (wie
bepaalt nu feitelijk wanneer iets gemaakt moet worden). Er valt dus nog veel
merkwaardigs te ontdekken.
|