|
Ouderdom van het
heelal
Voor zover we momenteel weten is het heelal 13,7 miljard jaar oud,
en ontstond het uit de oerknal (de "big bang"). De Belgische astronoom George
Lemaître stelde in1927 dat het heelal uitdijt, wat aangetoond werd door de
roodverschuiving van ver verwijderde sterrenstelsels. Twee jaar later bewees de
Amerikaanse astronoom Edwin Hubble dat sterrenstelsels zich van ons verwijderen
met een snelheid die proportioneel is met hun afstand. Het is alsof alle
sterrenstelsels zich bevinden op het oppervlak van een ballon die steeds verder
opgeblazen wordt: hoe verder ze van ons weg staan, hoe sneller ze zich van ons
verwijderen. Dit impliceert dus dat er ooit een begin geweest moet zijn, en in
1931 poneerde Lemaître dat het heelal begonnen moet zijn met de explosie van een
oeratoom (de big-bang theorie). Voor de jonge-aarde creationisten is de
ouderdom van het heelal een groot probleem. Volgens hen is de schepping slechts
6000 jaar geleden gebeurd (om precies te zijn op 23 oktober in het jaar 4004
voor Christus). Voor het feit dat we melkwegen kunnen zien die zich bijna 14
miljard lichtjaar van ons weg bevinden, hebben ze een eenvoudige
"wetenschappelijke" verklaring. Volgens hen was de lichtsnelheid in het verleden
meerdere miljoenen maal groter dan deze momenteel is, en is deze stelselmatig
afgenomen tot de huidige "lage" waarde van 300.000 km/sec. Het licht van deze
verre melkwegen dateert dus ook niet van 14 miljard jaar geleden, maar slechts
van een paar duizend jaar geleden. Voor deze stelling is er natuurlijk geen
bewijs. Een afname van de lichtsnelheid, waarbij die ieder volgend jaar maar één
duizendste meer zou zijn van deze van het voorgaande jaar, zou ons zeker
opgevallen zijn.
Ouderdom van de
aarde
De ouderdom van de aarde (en van het zonnestelsel) wordt momenteel
gesteld op 4,57 miljard jaar. Een ster zoals de zon is ontstaan uit een
moleculaire wolk, die zich onder de invloed van de zwaartekracht verder
samentrok. Bij dit samentrekken verhoogt de druk en de temperatuur. Is de massa
van de moleculaire wolk groot genoeg (minstens 8% van de massa van de zon), dan
leidt deze verhoogde druk en temperatuur tot kernfusie van waterstof tot helium.
De energie die daarbij opgewekt wordt vormt een tegenkracht voor de
samentrekkende zwaartekracht, zodat de ster zijn zelfde grootte kan behouden.
Een ster met een grootte van onze zon blijft ongeveer 10 miljard jaar in deze
situatie (we zijn dus ongeveer halfweg). Hoe zwaarder de ster, hoe sneller de
waterstof opgebruikt zal zijn. Is de waterstof grotendeels opgebruikt, dan
begint de heliumkern van de ster te krimpen, en de verbranding van de nog
resterende waterstof verplaatst zich naar een schil rond de kern. De ster zwelt
op en wordt een rode reus (honderden keer groter dan ze oorspronkelijk was, maar
met een veel lagere oppervlaktetemperatuur). De zon kan dit ca 2 miljard jaar
uithouden. Is de heliumkern van de ster zover gekrompen (onder invloed van de
zwaartekracht) dat de temperatuur van de kern 100 miljoen graden Celsius
bereikt, dan volgt een nieuw kernfusieproces waarbij het helium in de kern
omgezet wordt in koolstof en zuurstof. Dit proces levert veel minder energie op
dan de omzetting van waterstof in helium, maar verloopt veel sneller. Resultaat
is dat de ster gedurende een korte tijd (100 miljoen jaar) heel veel energie
uitstraalt. Is ook het helium omgezet, dan betekent dit voor een ster als
onze zon het einde. Voor sterren die 10 maal of meer zwaarder zijn dan onze zon
is het eindpunt nog niet bereikt. Door de zwaartekracht wordt de kern steeds
compacter en heter, en krijgen we nog bijkomende fusieprocessen (koolstof, neon,
zuurstof, silicium). Het eindproduct is ijzer en nikkel: verdere kernfusie is
niet meer mogelijk, daar deze meer energie kost dan oplevert. Het leven van deze
ster is nu ten einde: daar er geen tegenkracht meer is voor de samentrekkende
zwaartekracht krijgen we een plotse ineenstorting van de kern van de ster
(implosie). Bij deze implosie wordt zoveel zwaartekrachtdruk op de kern
uitgeoefend, dat de ijzeratomen met een kettingreactie alsnog fuseren tot
zwaardere elementen, tot uranium toe. De schokgolf van de implosie, en de
neutrino’s die bij deze implosie gevormd worden, zorgen ervoor dat de hele ster
explodeert: we hebben een supernova, die in het hele heelal te zien is. Ons
zonnestelsel is dus niet gelijk met het heelal ontstaan, maar is opgebouwd uit
tweede- of derdehands materiaal. Het materiaal waaruit de aarde en de
binnenplaneten gevormd zijn (de zwaardere elementen) worden immers alleen
gevormd bij de implosie van deze zware sterren, en wordt door de explosie ervan
naar alle richtingen geblazen. Uit zo'n wolk van gas en stof, die overbleef na
de explosie van één of meerdere supernova's, is ons zonnestelsel gevormd.
Hoe kennen we de ouderdom van ons zonnestelsel? De oudste
meteorieten en maanstenen zijn 4,5 miljard jaar oud. Geologen noemen dit eerste
tijdperk op aarde het Hadeïcum, en dit loopt van 4,5 miljard tot 3,8 miljard
jaar geleden. De aardkorst was toen vloeibaar en zeer heet, en
convectiestromingen brachten gesmolten gesteente naar het oppervlak, waar het
afkoelde en terug naar beneden zakte. Er was een constant bombardement van
meteorieten. De atmosfeer was sterk reducerend, en bestond vooral uit waterdamp,
vrije waterstof en zeer veel koolstofdioxide. Vrij snel moeten er al oceanen met
vloeibaar water gevormd zijn, ondanks de oppervlaktetemperatuur van ca 230 °C,
wegens de hoge druk die de CO2-atmosfeer uitoefende. De oudste gevonden zirkonen
hebben een ouderdom van 4,4 miljard jaar. Na dit Hadeïcum kwam het Archeïcum,
dat gesteld wordt op 3,8 tot 2,5 miljard jaar geleden. De oudste rotsen op aarde
dateren van 3,8 miljard jaar geleden (Isua in West-Groenland), alhoewel nog
oudere rotsen gevonden zijn (Acasta-gneis in Canada van 4,03 miljard jaar oud).
De aarde had toen nog een sterk reducerende atmosfeer met methaan, ammoniak en
andere gassen (geen zuurstof, die dodelijk zou zijn voor het toenmalige leven).
Al het toen bestaande leven was ééncellig. De oudste gevonden fossielen zijn 3,5
miljard jaar oud, en zijn cyanobacteriën (deze bestaan nu nog in een
geëvolueerde vorm, en zijn een van de grootste en belangrijkste groep bacteriën
op aarde). Ze leven in water, gebruiken fotosynthese (waardoor zuurstof
vrijkomt) en maken hun eigen voedsel aan. Het chloroplast, wat we in planten
vinden, is feitelijk een cyanobacterie, die vroeger met de plantcel in symbiose
leefde en later door deze plantcel opgenomen is.
Aminozuren
|
Alle levende wezens hebben een stofwisseling (metabolisme) die opgebouwd is
uit eiwitten (proteïnen). Eiwitten op hun beurt zijn opgebouwd uit aminozuren,
en al het leven op aarde is gevormd met 20 verschillende aminozuren. Het
"alfabet" van het leven bestaat dus uit 20 letters (de aminozuren), waaruit alle
woorden (de eiwitten) gevormd zijn. Een aminozuur is in principe een
molecule, die aan de ene kant een aminegroep heeft, en aan de andere kant een
carboxylgroep. Er zijn honderden aminozuren, en ook in de techniek en in de
industrie spelen aminozuren een grote rol (de zoetstof Aspartaam bijvoorbeeld is
een dipeptide van twee aminozuren). Maar we hebben het hier alleen over de 20
alfa-aminozuren die de bouwstenen van het leven vormen.
Deze aminozuren hebben centraal een koolstofatoom (C). Koolstof is
vierwaardig, en we zouden het kunnen voorstellen alsof deze molecule 4 "armpjes"
heeft waaraan iets kan vastgehaakt worden. Bij de simpele aminozuren, die de
letters van het leven vormen, hebben drie van deze armpjes altijd dezelfde
inhoud: - een enkel waterstofatoom (H). - een aminegroep (NH2) aan de ene
zijde. - een hydroxylgroep (COOH) aan de andere zijde. De inhoud van het
vierde armpje (tegenover het waterstofatoom) wordt aangeduid met "R"
(restgroep), en verschilt dus per aminozuur. Het vormt de nuttige lading, de
"payload" van het aminozuur. |
|
|
Het speciale aan aminozuren is dat ze aan elkaar gekoppeld kunnen worden tot
een samengesteld molecule (een peptide), dat dan aan zijn uiteinden terug een
aminegroep en een hydroxylgroep overhoudt. Aan deze peptide kan dus weer een
volgend aminozuur gekoppeld worden, zodat een in principe onbeperkt lange
peptidenketting bekomen kan worden. Bij het aan elkaar koppelen reageert de
carboxylgroep COOH met de aminegroep NH2, en vormt een peptidebinding NH, onder
afsplitsing van een watermolecule (H2O).
Is de peptidenketting klaar, dan dient deze nog driedimensionaal gevormd te
worden tot een eiwit. De functie van een eiwit wordt immers bepaald door zijn
driedimensionale vorm. Ziekten zoals de gekke-koeien ziekte worden veroorzaakt
door eiwitten die opgebouwd zijn uit de juiste aminozuren (dus de
peptidenketting is correct), maar die een foutieve vorm aangenomen
hebben. |
|
Ontstaan van
aminozuren
|
In 1953 voerde Stanley Miller een beroemd experiment uit, waarbij hij
simuleerde wat er bij het ontstaan van de aarde gebeurd kon zijn. Hij maakte een
gasatmosfeer aan, die bestond uit water, methaan, ammoniak en waterstof (maar
geen zuurstof), bracht dit op hoge temperatuur en liet dit circuleren door een
kamer waarin electrische vonken gevormd werden (om bliksem te simuleren). Na een
week bleek dat verschillende aminozuren en andere organische moleculen gevormd
waren. Ondertussen is dit experiment ontelbare keren herhaald met wisselende
gasmengsels. Zo heeft men 17 van de 20 aminozuren kunnen vormen, en ook de basen
die nodig zijn om RNA te vormen (wel urasil, dat een base is voor RNA, maar geen
thymine, dat de overeenkomstige base is voor DNA). Nochtans is het experiment
van Miller achterhaald, omdat het gasmengsel geen koolstofdioxide bevatte, en de
hele vorming van organische stoffen niet plaatsvindt in de aanwezigheid van
koolstofdioxide. Nochtans gaf het experiment van Miller de wetenschappelijke
wereld een schok, omdat het aantoonde dat aminozuren en organische bouwstoffen
spontaan kunnen ontstaan uit anorganische elementen, iets wat men vóór zijn
experiment als onmogelijk beschouwde. Aminozuren zijn ook gevonden in
meteorieten, samen met purinen en pyrimidinen (de basen die gebruikt worden in
RNA en DNA) en andere organische stoffen. Het is bekend dat ook in de
interstellaire ruimte organische bouwstoffen voorkomen, en verschillende
experimenten zijn dan ook uitgevoerd waarbij men uitging van een mengsel van de
anorganische stoffen die in de ruimte voorkomen (ammoniak, koolstofmonoxide,
methanol, water, HCN), deze bracht op de temperatuur van de ruimte (dus tegen
het absolute nulpunt aan) en onderwierp aan een intense ultraviolette straling.
Ook bij deze experimenten werden aminozuren en andere organische moleculen
gevormd. Is het leven dus ontstaan op aarde, of is de aarde "besmet" geworden
met leven dat in de ruimte ontstond en met meteorieten hierheen getransporteerd
werd? We weten het niet. Feit is dat de bouwstenen van het leven gemakkelijk
gevormd kunnen worden uit anorganisch materiaal. |
De
RNA-wereld
De stofwisseling van alle levende organismen is opgebouwd uit eiwitten.
Eiwitten worden gemaakt op basis van de informatie die opgeslagen is in het DNA,
en vertaald wordt naar RNA. Maar om DNA of RNA aan te maken zijn er eiwitten
nodig. Dus zitten we met een kip-en-ei verhaal: zonder eiwitten geen DNA, zonder
DNA geen eiwitten. Hebben we dan toch een Schepper nodig? Het eerste leven
dat ontstond is ondertussen al lang uitgestorven (of, anders gezegd, geëvolueerd
naar het huidige leven). Hoe het eruitzag is dus onbekend, maar het staat wel
vast dat het heel wat primitiever was dan het huidige, sterk geëvolueerde leven.
DNA is een verdere evolutie van RNA (om de genetische informatie op een
betrouwbaarder manier op te slaan) en bestond toen nog niet. Een ribozym is een
RNA-molecule met een enzymatische activiteit. Een ribozym bevat dus informatie
(een bouwplan om een eiwit aan te maken) en is tegelijk een enzym (kan dus een
eiwit aanmaken). In het huidige leven vinden we ribozymen nog terug als
onderdelen van het ribosoom (de fabriekjes binnen de cel die eiwitten
aanmaken).
|
|
Maar kan een ribozym zichzelf aanmaken? In de natuur hebben we er nog geen
gevonden. In het laboratorium kan men echter ribozymen aanmaken die
oligonucleotiden (korte stukken RNA) kunnen assembleren tot exacte kopies van
zichzelf. Er is dus RNA, dat niet alleen in staat is om eiwitten aan te maken,
maar ook om van zichzelf kopies te maken. Het eerste leven zal dus begonnen zijn
als een RNA-wereld. Later in de ontwikkeling is specialisatie opgetreden,
waarbij eiwitten de basis vormden voor de stofwisseling, en de genetische code
veilig opgeslagen werd in het DNA. In het huidige leven treedt RNA nog steeds op
als tussenpersoon tussen de bouwplannen, opgeslagen in het DNA, en de fabrieken
(de ribosomen die de eiwitten aanmaken). Het is nog steeds de RNA die zorgt dat
het hele mechanisme blijft draaien. In mei 2009 hebben onderzoekers van de
University of Manchester de resultaten van een onderzoek gepubliceerd, waarbij
ze erin geslaagd zijn twee van de basisbouwstenen voor RNA aan te maken op basis
van enkelvoudige organische bouwstoffen, die aanwezig waren in de atmosfeer van
die vroege wereld. Met de bouwstoffen cyanamide, cyanoacetyleen, glycolaldehyde
en glyceraldehyde zijn ze erin geslaagd via vier transformaties de
RNA-bouwstenen cytosine en uridine aan te maken (waarbij deze transformaties
optraden bij heel normale omstandigheden van druk en temperatuur). Belangrijk is
ook dat de uitgangsbouwstoffen reacties aangingen met een tussenproduct van een
van deze transformatiestappen, waardoor een omgekeerde reactie niet meer kon
plaatsvinden (eens de RNA-bouwsteen aangemaakt, kon die niet meer terug worden
afgebroken). Het onderzoek loopt nog verder (er dient nog aangetoond te worden
hoe de andere RNA-basisbouwstenen aangemaakt kunnen worden), maar wordt reeds nu
beschouwd als een grote stap vooruit in de pre-biotische scheikunde.
Kalium en
Natrium
Het leven ontstond in zee, en organismen die op het land leven
kunnen dit alleen maar doen door een "interne zee" met zich mee te dragen (de
vloeistof binnen de cel). Deze vloeistof, waarmee iedere levende cel gevuld is,
heeft nog steeds een pH-waarde en een osmotische druk die gelijken op deze van
het zeewater, en bevat hoge concentraties aan kalium en natrium. Merkwaardig
genoeg is deze concentratie van kalium en natrium volledig verschillend van deze
van het huidige zeewater (zelfs bij organismen die in zee leven). Levende
cellen hebben voor hun werking een hoge concentratie kalium-ionen nodig (K+), en
importeren dus voortdurend kalium van de buitenwereld. Zonder deze hoge
kalium-concentratie kunnen geen eiwitten aangemaakt worden, niet omdat kalium
nodig is voor het mechanisme dat eiwitten aanmaakt, maar wel omdat hierdoor de
juiste chemische omgeving gemaakt wordt waarin dit mechanisme kan werken. De
simpelste uitleg hiervoor is dat het mechanisme om eiwitten aan te maken
ontstond in een kalium-omgeving. Eens dat het er was, kon het niet meer
gewijzigd worden. Zo werkt de natuur: steeds voortbouwen op wat reeds
uitgevonden is. Echter, het mechanisme om eiwitten aan te maken ontstond
vooraleer de eerste cel gemaakt was, en wel in een systeem dat geen celwanden
had, geen ionenpompen om de concentratie aan kalium en natrium op peil te
houden, geen inwendige structuur om de cel bijeen te houden. Immers, al deze
structuren zijn gemaakt van sterk ontwikkelde eiwitten, en deze waren er nog
niet. Met andere woorden: het hele mechanisme moet onstaan zijn in een omgeving
met een hoge concentratie aan kalium, en een lage concentratie aan natrium. Dit
was de samenstelling van de eerste zeeën, nadat de aarde gevormd was. Deze
eerste zeeën, die rijk waren aan kalium, evolueerden later naar de huidige
zeeën, die rijk zijn aan natrium, net zoals de eerste atmosfeer, die rijk was
aan methaan en reducerende gassen, maar geen zuurstof bevatte, evolueerde naar
de huidige atmosfeer met 21% zuurstof. Omdat de omgeving veranderde, maar het
interne mechanisme hetzelfde bleef, moest de cel hierop reageren door een
celwand aan te maken om zich af te scheiden van de nu vijandige omgeving. En
naarmate de omgeving minder kalium en meer natrium ging bevatten, moest deze
celwand versterkt worden, en moesten ionenpompen komen om het teveel aan natrium
af te voeren.
Energie voor de
cel
 |
Cellen hebben energie nodig om hun processen te onderhouden. Deze energie
wordt gemaakt door het afbreken van een organische molecule (uit voedsel) tot
ATP. ATP is het energiekarretje van alle levende cellen, wat aantoont dat al het
leven uit dezelfde bron ontstaan is (net als de genetische code, die ook
dezelfde is voor alle cellen). ATP (zie tekening) heeft drie fosfaatgroepen.
Als de derde fosfaatgroep verwijderd wordt door hydrolise, dan wordt een grote
hoeveelheid energie vrijgemaakt (typisch 7,3 kcal/mol). ATP wordt hierbij
omgezet in ADP. Door de energie die we uit voedsel halen, wordt ADP omgezet in
ATP, en de energie die in deze ATP opgeslagen is kan op de plaats waar ze nodig
is weer uit het ATP gehaald worden door het terug om te zetten in ADP.
Voor de vorming van ATP wordt in een eerste stap glucose (dat we uit voedsel
halen) omgezet in pyrodruivenzuur (de glycolyse-stap). Deze stap heeft voor zijn
werking geen zuurstof nodig. Daarna kunnen we twee richtingen uit: -
verbranding (indien zuurstof aanwezig is): we krijgen dan de citroenzuurcyclus
en de oxidatieve fosforylering. Deze verbranding gebeurt in de mitochondrie, en
is zeer efficiënt. Uiteindelijk wordt 40% van de in de glucose aanwezige
energie omgezet in ATP. - Gisting (indien geen zuurstof aanwezig is): het
pyrodruivenzuur wordt dan omgezet naar ethanol (alcoholische gisting) of lactose
(melkzuurgisting). Gisting heeft een veel lager rendement, waardoor maar een
klein deel (2 tot 2,5 %) van de aanwezige energie in ATP omgezet wordt. |
Bij glycolyse wordt een suikermolecule (glucose) in tien stappen
veranderd in 2 moleculen pyrodruivenzuur. Dit proces verloopt zonder gebruik van
zuurstof. Bij de eerste stappen kost dit energie (2 ATP-moleculen), maar
uiteindelijk worden 4 ATP-moleculen gevormd, zodat de netto winst in deze stap 2
ATP-moleculen is. De citroenzuurcyclus begint met het bij de glycolyse
aangemaakte pyrodruivenzuur, en kan alleen plaatsvinden als er zuurstof aanwezig
is. De cyclus telt 8 stappen, en zet uiteindelijk het pyrodruivenzuur om in
koolstofdioxide, ATP-moleculen en energie. De meeste chemische energie wordt
opgenomen door transportmoleculen (NADH en FADH2), en wordt doorgegeven aan de
derde cyclus, de oxidatieve fosforylering. Oxidatieve fosforylering vindt
alleen plaats als er zuurstof aanwezig is. De energie van de transportmoleculen
wordt gebruikt om een “ATP-generator” aan te drijven, die dan tot wel 30
ATP-moleculen aanmaakt.
Wat we hieruit moeten onthouden, is dat "verbranding" (omzetting in de
aanwezigheid van zuurstof) een veel hoger rendement oplevert dan "gisting"
(omzetting zonder aanwezigheid van zuurstof). Toen het leven ontstond in de
primitieve wereld was er geen zuurstof in de atmosfeer aanwezig, en kon de
primitieve cel dus geen gebruik maken van verbranding. Het is pas nadat de
atmosfeer zuurstof begon te bevatten, en de cel een mechanisme kreeg om hiermee
om te gaan, dat ineens veel meer energie beschikbaar was voor processen in de
cel, waardoor nieuwe mogelijkheden ontstonden.
De
zuurstofcrisis
De oudste fossielen die we terugvinden (3,5 miljard jaar oud) zijn deze van
de cyanobacteriën, in het nederlands "blauwalgen" genaamd (nogal misleidend,
want het zijn helemaal geen algen of planten, maar bacteriën). Het zijn
eencellige organismen, die zich aaneen kunnen koppelen tot lange draden. Ze zijn
de uitvinders van de fotosynthese, waarbij ze koolstofdioxide (CO2) en water
binnenhalen, en deze met het zonlicht als energiebron omvormen tot suiker.
Daarbij wordt zuurstof afgescheiden als een afvalproduct. De chloroplasten in
plantencellen waren vroeger cyanobacteriën, die eerst in symbiose met deze cel
leefden en later door deze cel als organellen binnengehaald zijn. De
zuurstof, die het afvalproduct vormde van deze cyanobacteriën, vormde eerst geen
groot probleem. In het begin werd het opgenomen door de oceanen en door metalen,
die daarmee oxiden vormden (roest). Maar ongeveer 2,3 miljard jaar geleden was
de opnamecapaciteit hiervan verzadigd, en begon deze zuurstof in de atmosfeer
terecht te komen. Dit was een groot probleem, want zuurstof (hun afvalproduct)
was giftig voor de primitieve cyanobacteriën, en toen het gehalte zuurstof in de
atmosfeer begon te stijgen stierven deze dan ook massaal af. Hierdoor werd er
minder zuurstof geproduceerd, en nam het zuurstofgehalte weer af, waardoor een
evenwicht ontstond. Deze zuurstofvergiftiging had echter grote gevolgen. Er
konden nu heel nieuwe reacties optreden tussen enerzijds de zuurstofrijke
atmosfeer en oceanen, en anderzijds de rotsen, klei en zand op de kusten.
Ongeveer 1,7 miljard jaar geleden hadden sommige cellen geleerd hun voordeel te
doen met deze zuurstof, en hadden ze een verbrandingsproces ontwikkeld om ATP
aan te maken. Hierdoor kwam veel meer energie beschikbaar, en gaf dit nieuwe
mogelijkheden voor de biologische ontwikkeling. De cellen die ongeveer 1,7
miljard jaar geleden dit verbrandingsproces ontwikkelden, zijn de voorlopers van
de mitochondriën (organellen in alle eukaryotische cellen). Afstammelingen ervan
bestaan momenteel nog als de Rickettsia (parasieten, die zich alleen in het
cytoplasma van eukaryote cellen kunnen handhaven en vermenigvuldigen, en bij
mensen ziekten zoals vlektyfus veroorzaken). Deze nieuwe cellen hadden immers
een groot probleem: ze konden wel efficiënt ATP aanmaken en hadden dus een massa
energie tot hun beschikking, maar wat moesten ze met al die energie doen, en hoe
kregen ze genoeg voedsel binnen om het proces in gang te houden? Een oplossing
vonden ze door in symbiose te gaan leven met een andere cel, waarbij de andere
(anaerobe) cel het voedsel verschafte en de energie afnam. Deze samenwerking
bleek zo succesvol dat ze uiteindelijk opgenomen werden door hun gastcel, en zo
een organelle gingen vormen. Zowel de mitochondrie als de chloroplast zijn
momenteel organellen van de eukaryotische cel, maar hebben nog steeds hun eigen
DNA en maken zelf hun eigen specifieke eiwitten aan. |
|
Soorten levende
wezens
Traditioneel werden levende wezens ingedeeld in twee grote
groepen: de prokaryoten (die geen celkern hebben) en de eukaryoten (die wel een
celkern hebben). In 1977 bewees Carl Woese dat er drie grote groepen zijn. Uit
de LUCA (Last Universal Common Ancestor, of de laatste voorouder voor het leven
in verschillende groepen uiteenviel) splitsten zich eerst de eubacteria af (de
bacteriën). De overblijvende groep ontwikkelde zich verder, en splitste later
nogmaals in twee: de archaea en de eukaryoten. Zowel Archaea als Eubacteria zijn
prokaryoten, en hebben dus geen celkern. Nochtans is de verwantschap tussen de
archaea en de eukaryoten groter dan deze tussen de archaea en de bacteriën.
Op een gegeven ogenblik in de ontwikkelingsgeschiedenis van de levende cel
lagen er een aantal zaken reeds vast (de genetische code was bepaald, energie
werd overgedragen onder de vorm van ATP), maar moesten er nieuwe beslissingen
genomen worden. Hoe beschermen we ons tegen de wijzigende samenstelling van de
oceanen (die minder kalium en meer natrium gingen bevatten), hoe gaan we om met
onze beperkte energie, waarmee gaan we ons voeden? Sommige organismen kozen voor
simpelheid en efficientie, en hieruit ontwikkelden zich de bacteriën. Een
bacterie is een "simpel" organisme: in zijn evolutie heeft het gekozen voor
efficiency, voor het weggooien van alles wat als ballast beschouwd kon worden.
Een bacterie is dus ééncellig, heeft geen celkern, heeft een vaste celwand,
cirkelvormig DNA dat alleen bestaat uit genen, en waarvan de genen alleen
bestaan uit exons. Het is geen "primitief" organisme, verre daarvan: het is een
sterk geëvolueerd organisme dat uitsluitend gericht is op efficiency en het zo
zuinig mogelijk gebruiken van de beperkte energievoorraad. Vergelijk het met de
ontwikkeling van de computer: eerst kamervullende, trage, energieverslindende
bakbeesten, die nu geëvolueerd zijn naar de op een batterij werkende, snelle
laptop. De overlevingsstrategie van bacteriën en eukaryoten is ook compleet
verschillend. Bacteriën zullen zich snel vermenigvuldigen als er overvloedige
voedselbronnen zijn, en reageren op wijziging van de omgeving met een vast
mechanisme dat al miljoenen jaren onveranderd is. Eukaryoten kunnen een
efficient gebruik maken van voedselbronnen, maar kunnen ernstige crisissen
slechts overleven door zich grondig aan te passen met gesofistikeerde
anatomische wijzigingen. De prijs van deze veelzijdigheid is een hoog
uitsterfniveau: de gemiddelde levensduur van een diersoort is maar 4 miljoen
jaar.
Toen de samenstelling van de oceanen veranderde van sterk
kaliumhoudend naar natriumhoudend, dienden de cellen zich hiertegen te
beschermen. De primitieve cel kreeg eerst een flexibele celwand, maar dit bleek
na een tijd niet voldoende te zijn. Een mogelijkheid bestond erin de celwand te
verstevigen en stijver te maken. Dit is de richting die de bacteriën opgingen.
Het stijver maken van de celwand gaf echter als gevolg dat grotere moleculen
niet meer de celwand konden passeren. Als voedsel kwamen dus alleen nog de
kleinere organische moleculen in aanmerking, en later alleen nog de anorganische
moleculen. Deze stijve celwand verhinderde het celmembraan op te zwellen door
het osmotisch effect van natrium, maar sneed de bacteriën ook af van de grotere
en meer energierijke voedselbrokken. Ze moesten het dus zien te klaren met een
beperkte hoeveelheid energie. Het RNA, dat toenertijd nog primitief was en uit
evenveel rommel als functionerend RNA bestond, werd uitgezuiverd, en alles wat
niet absoluut noodzakelijk was werd buitengegooid. Een bacterie heeft dus één
chromosoom met cirkelvormig DNA, dat alleen bestaat uit echte informatie zonder
ballast. Als eiwitten gevormd dienen te worden, wordt er een transcriptie
gemaakt van dit DNA en wordt er dadelijk begonnen met de translatie ervan, in de
meeste gevallen zelfs terwijl de transcriptie nog bezig is, en de RNA-streng nog
vastzit aan het DNA. Dit kan bij bacteriën, omdat er geen celkern is (er dient
dus geen transport te gebeuren van de celkern naar het cytoplasma) en er zijn
geen introns die uitgesplist moeten worden. Het gevolg daarvan is dat er geen
tijd en geen ruimte is voor een wijziging van het transcript, en er zijn ook
geen introns waarvan RNA gemaakt kan worden om de vorming van het eiwit te
beïnvloeden. Allemaal heel efficiënt, maar wel met het gevolg dat de evolutie
van bacteriën bijna stilligt, want er kan niets meer gewijzigd worden. Bacteriën
doen dus ook niet aan sexualiteit: voortplanting gebeurt door deling,
genoverdracht verloopt horizontaal (door fysiek contact van de twee bacteriën,
of door besmetting met een bacterieel virus). Aangezien horizontale
genoverdracht zowel kan plaatsvinden tussen bacteriën van dezelfde soort als
tussen bacteriën van verschillende soort, kunnen eigenschappen (zoals
immuniteit) snel overgedragen worden. Nog iets opmerkenswaardig: door de
vaste celwand, die slechts kleine moleculen doorlaat, zijn bacteriën gedwongen
zich te voeden met anorganische stoffen. Van "consumenten" van organisch
materiaal zijn ze dus "producenten" van organisch materiaal geworden. Immers,
een bacterie is een organisme, en als dusdanig organisch materiaal, en dus
voedsel voor andere niet-bacteriële organismen.
| De oercellen die niet de ontwikkelingsweg van de bacterie kozen,
ontwikkelden zich verder. Een tweede grote afsplitsing kwam later tussen de
archaea (de oerbacteriën) en de eukaryoten. Typisch voor eukaryoten is de opname
van de mitochondrie als organelle (en van de chloroplast in planten). De archaea
deden dit niet, en werden feitelijk weggeconcureerd. Zij overleven momenteel dus
ook alleen op plaatsen waar eukaryoten niet kunnen leven: bij zeer hoge
temperaturen zoals in geysers of in black smokers, of bij zeer koude
temperaturen, en in omgevingen die te zuur, te zout of te alkalisch zijn voor
eukaryoten. Een aantal wordt gevonden in moerassen, rioolwater en in het
darmstelsel (waar ze methaan aanmaken). Het zijn ééncellige organismen gebleven
van 0,1 tot 15 micrometer groot, alhoewel ze zich tot draden kunnen samenvoegen.
Ze hebben een celkern, maar toch ringvormig DNA. Transcriptie en vertaling
lijken op deze van eukaryoten (niet op deze van bacteriën) maar ze hebben wel
een eigen soort ribosoom om de eiwitten aan te maken. Ze zijn onschadelijk, in
die zin dat er geen archaea bekend zijn die ziekten bij de mens veroorzaken.
Archaea zijn geen "mislukte" evolutie, maar ze hebben toch wel de boot gemist
toen het er op aankwam de mitochondrie binnen te halen en over te schakelen op
de verbranding als energiebron. Daarom moeten ze zuinig zijn, hebben ze
ringvormig DNA, en beschikten ze niet over de ontwikkelingsmogelijkheden van de
groep die later de eukaryoten geworden zijn. |
|
Eukaryoten: extravagant en
flexibel
Eukaryoten hebben zich heel anders ontwikkeld dan bacteriën. Door
de opname van mitochondriën kunnen ze beschikken over veel energie, en kunnen ze
dus processen ontwikkelen die op het eerste zicht extravagant en verspillend
lijken. Hoe beschermden zij zich tegen de wijziging van de samenstelling van de
oceanen? Waar de bacteriën een stijve celwand ontwikkelden, bleven zij hun
flexibele celwand behouden, maar verstevigden deze door een intern net van
verstevigingslijnen op te bouwen. Dit "cytoskelet" wordt gevormd door drie
soorten filamenten (strengen of draden): microfilamenten, microtubuli (in feite
buisjes) en intermediaire filamenten. Men kan het beter beschouwen als "spieren"
dan als een "skelet", want het kan heel verschillende driedimensionale vormen
aannemen. Het is alsof een dier de ene keer de vorm van een vogel zou kunnen
aannemen, en dan weer de vorm van een slang, of dat dezelfde spieren de ene keer
een hand zouden kunnen vormen en een andere keer een staart. De noodzaak voor
een flexibele celwand heeft ook een andere oorzaak. Naarmate het leven vorderde,
kwamen fysiek grotere voedselbronnen beschikbaar (bv een levende of afgestorven
bacterie). Om deze grotere brokken binnen te kunnen halen was een soort "mond"
nodig. Een flexibel cytoskelet maakt dit mogelijk (kijk bijvoorbeeld naar de
macrofagen). Voor de bacteriën, met hun stijve buitenwand, waren deze
voedselbronnen onbereikbaar. De filamenten van dit sketet zijn in
voortdurende staat van aanmaak en ontbinding: aan de ene kant worden monomeren
toegevoegd, aan de anderde kant worden ze afgebroken. Wordt er sneller
toegevoegd dan afgebroken, dan wordt het filament langer, anders wordt het
korter. Het organisme investeert dus enorme hoeveelheden energie, niet in het
bouwen van een structuur, maar in het instabiel maken van deze structuur. We
zien dus een enorm verschil tussen het zuinig gebruik van energie van de
bacterie, en de voortdurende verspilling van energie van een eukaryote. Wat
is de noodzaak van deze energieverspilling? Laten we eerst opmerken dat een
filament alleen onstabiel is indien het niet verankerd is. Eens dat het
verankerd is, is het wel stabiel. Een microtubulus start vanuit een centrosoom,
en het andere einde ervan kan korter of langer worden tot het een tweede
verankeringspunt in het cytoplasma vindt. Vindt het dit echter niet, dan wordt
de microtubulus zeer snel ontmanteld, en wordt een nieuwe gebouwd die een
verankeringspunt in een andere richting gaat zoeken. Dat dit snelle bouwen en
ontmantelen noodzakelijk is, wordt bijvoorbeeld gedemonstreerd bij de celdeling.
Hier dienen de microtubuli zich te verankeren aan centromeren (het punt waar de
twee DNA-moleculen van een verdubbeld chromosoom aan elkaar zitten), zodat de
chromosomen naar de tegengestelde kant van de cel getrokken kunnen worden.
Centromeren zijn echter zeer klein, en hun verdeling binnen de celruimte is
volledig willekeurig. Een centromeer zoeken is dus zoiets als het zoeken van de
naald in de hooiberg, en het is juist dit mechanisme van dynamische
instabiliteit dat toelaat deze centromeren te vinden, en ze zeer snel te
vinden. De logica van deze dynamische instabiliteit wordt dus duidelijk: het
laat het cytoskelet toe structuren te bouwen, gebaseerd op een zoekstrategie.
Met andere woorden: het aantal verschillende structuren dat het cytoskelet kan
maken hangt alleen af van de keuze van ankermoleculen, en is dus in principe
onbeperkt. Het zijn dus de ankermoleculen die de ruimtelijke vorm van de cel
bepalen, en de bewegingen die de cel kan uitvoeren. Het cytoskelet is
uitgevonden in de tijd van de eencellige eukaryoten, en is in de hele evolutie
gebruikt om steeds andere structuren te maken (neuronen, spieren, noem maar op).
Dynamische instabiliteit is dus een strategie om een eindeloze stroom van
verschillende cellen te maken, met slechts één gemeenschappelijk mechanisme en
een paar verschillende ankermoleculen.
Het celmembraan van een bacterie kan vergeleken worden met een
"huid", omdat het structuren bevat die de nodige moleculen gaan aanmaken op de
plaats waar ze nodig zijn (net zoals de cellen van onze huid zichzelf
vernieuwen). Eukaryoten gebruiken een heel ander mechanisme. De onderdelen voor
de celwand worden binnen in de cel gemaakt als blaasjes die naar de celwand
opstijgen en daar in de celwand ingebouwd worden. Bestaande delen van de celwand
maken zich daarentegen los, en dalen als blaasjes naar binnen in de cel, om daar
gerecycleerd te worden. De celwand wordt dus constant vernieuwd door twee
stromen blaasjes: opstijgende blaasjes met nieuwe celwand, en dalende blaasjes
met te recycleren celwand. Weer eens vinden we bij eukaryoten een extravagant en
duur systeem, terwijl dit veel simpeler zou kunnen gemaakt worden, zoals
bacteriën aantonen. Toch kunnen we de zaak in een breder perspectief
bekijken, en kijken naar de verkeersregeling in de cel. De blaasjes voor de
celwand worden gemaakt in het Golgi apparaat, samen met blaasjes met een heel
andere bestemming. Het Golgi-apparaat is betrokken in de eindwijziging van
verschillende moleculen, die verschillende bestemmingen hebben. Indien al deze
moleculen ieder een eigen pad naar hun bestemming zouden krijgen, met een eigen
verkeersregeling, zou de cel een ongelofelijk ingewikkeld verkeersmechanisme
moeten hebben. Nu gebeurt dat heel simpel: het Golgi-apparaat maakt blaasjes aan
en voorziet deze met twee verschillende eindbestemmings-merkers: eentje voor
blaasjes met eiwitten die bestemd zijn voor buiten de cel, en eentje voor
blaasjes met een bestemming binnen de cel. Indien het blaasje helemaal geen
eindbestemming-merker heeft, dan is het per default bestemd voor de celwand
zelf. We krijgen dus een heel simpel mechanisme: één apparaat en twee merkers
geeft de mogelijkheid om zowel een enorm aantal specifieke producten naar hun
eindbestemming te brengen, als om de celwand continu te vernieuwen.
Bacteriën hebben één enkel cirkelvormig chromosoom, terwijl
eukaryoten verschillende chromosomen hebben met een lineaire structuur, waaraan
dan nog grote hoeveelheden structurele eiwitten gekoppeld zijn om deze
DNA-draden in een compacte ruimte te kunnen herbergen. Iedere DNA-molecuul is
gemiddeld een duizendmaal langer dan het enkele chromosoom van een typische
bacterie. Dit is weer zo'n eukaryotische extravaganza: een ingewikkelde
structuur om massa's DNA in een beperkte ruimte (de celkern) op te slaan,
terwijl het overgrote gedeelte van dit DNA blijkbaar alleen maar rommel is
vanuit een genetisch standpunt. Daar de eerste cellen in een RNA-wereld
ontstonden, en veel van het RNA op een willekeurige manier tot stand kwam, zal
het toenmalig genoom zowel functioneel als rommel-RNA gehad hebben. Bij de
evolutie konden dus twee verschillende strategieën gebruikt worden: gooi al dat
niet-functionerend RNA weg, of hou het bij. De eerste mogelijkheid heeft de
bacteriën laten ontstaan: heel gestroomlijnde organismen, met maximale
efficiency en maximale simpelheid. Alles wat mogelijkerwijze weggegooid kon
worden werd bij bacteriën ook weggegooid, alles wat simpeler kon werd simpeler
gemaakt, met als gevolg dat de evolutie van bacteriën zo goed als stilstaat.
Genen van een bacterie bevatten ook alleen maar exons, terwijl de
eukaryotische genen zowel exons als introns bevatten. Nog niet zo lang geleden
dachten we dat deze introns ook rommel waren, maar nu weten we dat ze
noodzakelijk zijn. Ze bevatten niet de code om het eiwit aan te maken, maar
bepalen wel welke exons gekozen moeten worden in het aanmaakvoorschrift. Door
dus exons wel of niet te kiezen, kan een gen coderen voor verschillende soorten
eiwitten. Wat eerst verspilling leek, blijkt later een hoogefficiënte manier te
zijn. Zo weten we momenteel nog zeer weinig over het niet-coderend gedeelte
van het eukariotisch DNA, zodat we nog niet veel kunnen zeggen over de functie
(of het gebrek van functie) ervan. In 1994 lieten Mantega en zijn collega's twee
bekende formules uit de informatietheorie los op het genoom. Deze formules waren
de wet van Zipf en de redundancyregel van Shannon. Hieruit bleek dat de
statistische eigenschappen van het niet-coderend DNA veel dichter bij deze van
de natuurlijke talen lagen dan de statistische eigenschappen van het wel
coderend gedeelt (de genen). Dit zou kunnen betekenen dat het niet-coderend
gedeelte van het DNA mogelijk transport-informatie of andere informatie bevat,
maar dan wel geschreven in een verschillende taal, die we nog niet kunnen
lezen.
Samenvattend kunnen we zeggen dat de primitieve cel, die de weg
van de veelzijdigheid gekozen heeft, nu geëvolueerd is tot de wereld van de
eukaryoten (dit zijn de protisten, de zwammen, de planten en de dieren). Door
geen gegevens weg te gooien, en door steeds voor flexibele structuren te kiezen,
is deze cel de weg opgegaan naar de meercelligheid en de grote verscheidenheid
van levende vormen. Ze heeft dit echter slechts kunnen doen door de mitochondrie
in haar cel op te nemen, waardoor ze haar voedsel zeer efficient kon omzetten in
energie. En deze energie had ze nodig om haar flexibele structuren, die heel
veel energie kosten, op te bouwen.
Ontwikkeling van de
mens
De primaten zijn een van de oudste overlevende zoogdiersoorten, en
de oorsprong ervan ligt ca 60 miljoen jaar geleden. De familie “mensapen”
(hominoidea) bestaat uit de geslachten homo (de mensen), pan
(chimpansee en bonobo, afgesplitst 5 tot 7 miljoen jaar geleden),
gorilla (afgesplitst 8 tot 10 miljoen jaar geleden), pongo
(twee orang-oetang geslachten, afgesplitst 13 tot 16 miljoen jaar geleden) en de
vier gibbon-geslachten (afgesplitst 15-19 miljoen jaar geleden).
Mensapen hebben 48 chromosomen (= 24 paar), de mensen 46 (= 23 paar).
Chromosomenpaar 2 bij de mens is een samenvoegsel van twee verschillende
chromosomenparen bij de mensapen. Het verschil in DNA tussen mens en
chimpansee is zeer klein (98 tot 99 percent van het DNA is identiek). De
chimpansee heeft een gen dat codeert voor een enzym dat de chimpansee beschermt
tegen de ziekte van Alzheimer (de mens heeft dit gen niet). Meer dan 30 genen
bij de chimpansee, die voor de geurzin instaan, blijken bij de mens inactief te
zijn. Anderzijds heeft het FOXP2-gen, dat in verband staat met taalontwikkeling,
bij de mens een snelle evolutie doorgemaakt, en bij de chimpansee niet.
In de evolutie van het geslacht “Homo” ontstond eerst het geslacht
“australopithecus” (4 tot 2 miljoen jaar geleden), dat opgevolgd werd
door het geslacht “homo” (2 miljoen jaar geleden). In het geslacht
“homo” hebben we eerst “homo habilis” (2,5 tot 1,75 miljoen
jaar geleden), dan de “homo erectus” (1,75 tot 0,25 miljoen jaar
geleden), daarna de “homo neanderthalensis” en de “homo
sapiens” (ca 250.000 jaar geleden). In de evolutie zien we dat we eerst
leerden rechtop lopen, en dat daarna een grotere schedelinhoud kwam. In het
geslacht "australopithecus", dat zich een vier miljoen jaren geleden in
Oost-Afrika ontwikkelde, hebben we feitelijk af en toe rechtop lopende mensapen
(ze brachten nog steeds een gedeelte van hun tijd in bomen door). De
schedelinhoud (400 cm3) is vergelijkbaar met mensapen, de lengteverhouding van
armen en benen lag nog steeds dichter bij deze van de mensapen dan deze van de
huidige mensen, de mannetjes waren nog dubbel zo groot als de vrouwtjes. Het
geslacht is een 2,6 miljoen jaar geleden uitgestorven, na een klimaatswijziging
waarbij het klimaat op het Oost-Afrikaanse hoogland koeler en droger werd,
waardoor de bestaande biotopen verdwenen.
Homo Habilis leefde reeds in de nadagen van de
australopithecus, en was de eerste soort met typisch menselijke
eigenschappen (deze zijn: grotere hersenen, gebruik van zelf vervaardigde
gereedschappen en het eten van dierlijk voedsel). Hij was een vleester
(feitelijk een aaseter: als de andere dieren klaar waren met het opeten van een
prooi, mocht de homo habilis nadien de mergpijpen uitzuigen). Een
toename van het hersenvolume was slechts mogelijk door het eten van dierlijk
voedsel: hersenen verbruiken veel energie, en dierlijke vetten en eiwitten
bevatten veel geconcentreerder energie dan plantaardig voedsel. Het hersenvolume
nam toe tot 800 cm3, hij had lange vingers en beweeglijke duimen, en kon dus
zelf zijn eerste gereedschappen aanmaken (gewoon stenen tegen elkaar slaan zodat
er scherpe afslagen ontstonden). Hij leefde in Oost en Zuid Afrika. We hebben
wel een hoop schedels en botfragmenten, maar een volledig skelet is nog niet
ontdekt.
|

|
Homo Erectus (de rechtoplopende mens) is de
mensensoort die zich het langst gehandhaafd heeft (de jongste fossielen dateren
van een 30.000 jaar geleden). De schedelinhoud was reeds 850 tot 1100 cm3. Het
was een jager die ook in groep jaagde, en waarbij de groep op hun trektochten
steeds naar dezelfde vaste plaatsen terugkeerde. Zijn werktuigen waren al verder
ontwikkeld, en hij kende het vuur. De soort ontstond in Afrika, maar verspreidde
zich een miljoen jaar geleden ook naar de Kaukasus, Java, China. Hij was 180 cm
lang en woog een 60 kilo. De oudste soort homo erectus wordt homo
ergaster genoemd (de werkende mens).
De Neanderthaler leefde 150.000 tot 30.000 jaar geleden. Hij
stamde af van een groep homo erectus die in Europa terechtkwam (500.000
jaar geleden). De klimaatomstandigheden waren daar heel anders (deze groep
maakte twee ijstijden mee), zodat deze soort zich eerst ontwikkelde tot homo
heidelbergensis en later tot homo neanderthalensis. De
Neanderthaler was gedrongen maar gespierd, zelfs een 20 tot 30% sterker dan de
gemiddelde huidige Europeaan. Hij had een complexe sociale organisatie, droeg
zorg voor de doden, en maakte verschillende soorten werktuigen. Zijn
herseninhoud was zelfs groter dan die van de huidige mens (1650 tegen 1500 cm3).
Hij is geen rechtstreekse voorouder van de huidige mens: analyse van zijn DNA
wijst hiervoor te grote verschillen uit (ook als we dit DNA vergelijken met dat
van homo sapiens uit dezelfde tijd).
Homo sapiens is de huidige mens, en de enige
overblijvende soort in het geslacht homo. De oudste vindplaats ligt in
Ethiopië, en het fossiel dateert van 180-150.000 jaar geleden. Zijn lichaam
verbruikt het minste energie (ongekleed en in rust) bij 26 °C, en is dus
aangepast aan het Afrikaanse tropische klimaat. Hij verspreidde zich eerst over
Afrika, en een eerste emigratie begon 130.000 jaar geleden (maar deze liep een
80.000 jaar geleden dood wegens het koude klimaat). Een tweede emigratiegolf
volgde een 50.000 jaar geleden via het Midden-Oosten naar de Zuid-Aziatische
kusten. Een derde emigratiegolf vond 40.000 tot 35.000 jaar geleden plaats naar
Centraal Azië toe, en vandaar naar Siberië en Europa. Een 20.000 jaar geleden
werd hij landbouwer (in plaats van jager-verzamelaar) en 4.500 jaar voor
Christus begon de eerste beschaving, die geschreven bronnen naliet. |
|